Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Een gieterij als decor

Carlshütte is niet zomaar een tentoonstellingsruimte. Voor het een naam kreeg als kunstlocatie was het een gieterij, opgericht in Büdelsdorf, Sleeswijk-Holstein, en de sporen daarvan zijn nooit weggewerkt. Al 27 jaar organiseert de non-profitinitiatief Kunstwerk Carlshütte hier NordArt, verspreid over 22.000 vierkante meter overdekte hallen en een beeldenpark van 80.000 vierkante meter, aangevuld met de ACO Wagenremise. Maar het zijn niet de cijfers die je eerst raken. Het is de schaal van de hallen zelf, hun golfplaten wanden, de roestbruine balken die nog altijd de geur van metaal lijken vast te houden, ook al is er al decennia geen oven meer aangestoken.

Je loopt er niet zoals door een afgelikte, steriele white cube. Je dwaalt er zoals door een fabriek waar het personeel net vertrokken is, en waar iemand anders de machines heeft vervangen door kunstwerken, zonder de architectuur zelf te verraden. Curatoren Wolfgang Gramm, Inga Aru en Taso Gramm noemen kunst een manier om antwoorden te vinden op wat ons beweegt en raakt, en in deze context krijgt die gedachte een extra laag: de ruimte zelf beweegt en raakt al, nog voor er één werk hangt.

Het doet denken me aan Unna, de eerste etappe van deze reis, waar een oude brouwerijkelder werd omgebouwd tot een onderaardse lichtkathedraal. Ook daar bleef de oorspronkelijke functie van de ruimte voelbaar onder de kunst die er nu hangt. Carlshütte werkt volgens diezelfde logica, alleen dan bovengronds en op een schaal die je pas begrijpt als je er middenin staat: een industrieel landschap dat zijn eigen geschiedenis niet verbergt, maar er juist een decor van maakt.

De teloorgang van de zware industrie

Ergens tussen de eerste hal en de tweede bekruipt me een gedachte die niets met een specifiek kunstwerk te maken heeft, maar met de plek zelf. Wat hier gebeurd is, gebeurde op honderden plekken in Europa: een oven die eeuwenlang brandde, gaat uiteindelijk uit, en niemand steekt hem opnieuw aan. Niet omdat het vuur zelf faalde, maar omdat de wereld eromheen veranderde. Staal werd elders goedkoper gegoten. Arbeid verplaatste zich, eerst naar andere regio’s, later naar andere continenten. De mannen die hier ooit ijzer lieten gloeien, zijn met pensioen gegaan, overleden, of hebben ander werk gevonden, en hun kleinkinderen kennen het geluid van een smeltoven alleen van verhalen, als die verhalen al verteld worden.

Van giethuis tot klimpark

Sleeswijk-Holstein is niet het Ruhrgebied, maar het lot van Carlshütte is wel hetzelfde lot dat honderden gieterijen, kolenmijnen en hoogovens in heel Europa trof. In Essen haalde Zeche Zollverein in 1986 zijn laatste kolen uit de grond, tot in 2018 ook de allerlaatste steenkolenmijn van het hele Ruhrgebied definitief sloot.

Nu vind je er musea voor moderne kunst en een openluchtzwembad op het dak van een oude fabriekshal. Verderop, in het Landschaftspark Duisburg-Nord, ligt een duikcentrum in wat ooit een gashouder was, en een klimtouwenpark in een giethuis, een gieterij net als Carlshütte, waar ooit gesmolten ijzer stroomde en nu mensen aan touwen tussen de balken hangen. Zelfs de slakkenbergen, de bergen afval die na decennia van smelten en branden overbleven, zijn omgevormd tot groene heuvels met kunstwerken erop: Tiger & Turtle bij Duisburg, een wandeltrap die van veraf op een achtbaan lijkt, en de Tetraeder bij Bottrop, een uitkijkpiramide op het hoogste punt van de regio.

Bilbao: vervanging in plaats van hergebruik

Nog verder naar het zuiden, in Baskenland, koos men niet voor hergebruik maar voor vervanging. Bilbao dankte zijn negentiende-eeuwse bloei aan ijzererts en scheepsbouw langs de rivier de Nervión, en verloor die basis in de jaren tachtig, verergerd door een verwoestende overstroming in 1983. In plaats van de oude scheepswerven en pakhuizen te herbestemmen, koos het stadsbestuur voor iets radicalers: slopen, en op de vrijgekomen grond, op de plek van een voormalige houtfabriek aan de rivier, een compleet nieuw gebouw neerzetten. Het resultaat, geopend in 1997, is het Guggenheim Museum Bilbao van Frank Gehry: een glanzende, met titanium beklede vorm die van veraf op een aangemeerd schip lijkt, alsof het gebouw zelf de scheepsbouw die eronder verdween nog wil gedenken. Binnen hangt, niet toevallig, een zaal vol massieve stalen platen van Richard Serra, zwaar en roestbruin, die niets anders oproepen dan een scheepswerf.

Het is de omgekeerde beweging van Carlshütte en Duisburg: geen herbestemming van wat er stond, maar vervanging, en toch dezelfde onderliggende logica. Waar industrie verdween, moest cultuur die leegte vullen, het liefst met iets spectaculair genoeg om de stad weer op de kaart te zetten. Ook dat is een vorm van naschijn, alleen zonder de oorspronkelijke muren.

Carlshütte koos voor behoud

Overal dezelfde beweging. Eerst sluiting, dan verval, en als de plek geluk heeft, en een sponsor, en een curator, en een gemeente die niet alles wil platwalsen voor een parking, uiteindelijk een tweede leven. Carlshütte had dat geluk, en koos, anders dan Bilbao, voor behoud in plaats van vervanging. Het ACO-concern en de familie Ahlmann kozen ervoor de hallen niet te slopen maar te herbestemmen, en zo werd een plek die stond voor zware, gevaarlijke, ongezonde arbeid een plek voor kunstliefhebbers met koffiebekers en kinderwagens.

Ik weet niet of dat vreemd is, of juist heel logisch. Misschien is het geen verraad aan wie hier ooit zwoegde, maar een vorm van eerbetoon: de ruimte overleeft, ook al is haar functie compleet omgekeerd. Vroeger werd hier iets gemaakt onder dwang van hitte en tijdsdruk. Nu wordt hier iets getoond, in alle rust, zonder haast. Het enige wat constant blijft is de schaal, de hoogte van de hallen, de zwaarte van het metaal in de wanden, alsof het gebouw zelf weigert zijn industriële geheugen kwijt te raken, wat er ook in gehangen wordt.

Wat overblijft, zijn de gebouwen die groot genoeg waren om iets anders te worden. Carlshütte is daar een van. Drie uur rijden verderop, in Duisburg, hangt op dit moment waarschijnlijk iemand aan een touw tussen de balken van een giethuis dat vroeger precies hetzelfde deed als deze hal: ijzer smelten. Twee gieterijen, twee vormen van naschijn, hetzelfde vuur dat overleeft in een andere gedaante. Adoni’s LED-skyline hangt hier middenin als een soort grafschrift, of misschien juister: als een naschijn die weigert helemaal te doven.

Het vuur dat LED wordt

Ergens diep in een van die hallen hangt Terminal van de Israëlische kunstenaar Nir Adoni, een silhouet van bijna tien meter breed, uitgesneden uit staal met een laser, gemonteerd tegen een gegolfde metalen wand en van achteren verlicht met LED. Op het eerste gezicht is het een skyline: kranen, schoorstenen, pijpleidingen, de contouren van een industrieel complex dat evengoed een haven als een raffinaderij kan zijn. Adoni werkt vaak vanuit religieuze heiligdommen en zware industriële architectuur, en combineert elementen uit verschillende omgevingen tot nieuwe, soms ongemakkelijke landschappen.

Terminal, 2017, laser-cut steel, LED light, 266 x 979 cm (created at the NordArt Symposium 2017)
Terminal, 2017, laser-cut steel, LED light, 266 x 979 cm (created at the NordArt Symposium 2017)

Wat het werk hier bijzonder maakt, is niet het silhouet zelf, maar de plek waar het hangt. Deze hal huisvestte ooit ovens die ijzer lieten gloeien, waar licht geen ontwerp was maar een bijproduct van hitte, gevaarlijk en ongecontroleerd. Adoni's LED-lijnen doen wat de ovens ooit deden: een bezoeker die er beschouwend voor staat, in silhouet tegen het licht, klein tegenover machine en metaal. Alleen is het vuur weg. Wat overblijft is zijn vorm, gereconstrueerd in koud, gecontroleerd licht.

Ik noem dat voor mezelf naschijnend licht: niet de bron zelf, maar het spoor dat een verdwenen bron achterlaat, opnieuw opgeroepen in een ander materiaal. Een gieterij die geen ijzer meer giet, maar nog altijd licht produceert, alleen dan als kunst in plaats van als productieproces.

Adoni, geboren in 1980 en werkzaam in Tel Aviv, is gespecialiseerd in lasersnijwerk en grootschalige installaties. Terminal ontstond in 2017 op het NordArt-symposium, wat betekent dat het werk zelf al bijna een decennium op deze plek staat, ingebed in de hal alsof het er altijd al hing. Dat permanente karakter versterkt het gevoel dat het geen tijdelijke interventie is, maar een tweede laag geschiedenis die zich over de eerste heeft gelegd.

Stilte achter glas

In een van de zijvleugels staan twee met linnen gedrapeerde fauteuils tegenover elkaar, uitgehouwen uit Carrara-marmer door de Zwitserse beeldhouwer Veronika Dierauer. Ze noemt haar sculpturen ‘versteinerte Momente’, versteende ogenblikken, ergens tussen werkelijkheid, fictie en een stille spanning. In Dialoog wordt de lege ruimte tussen de twee stoelen het beeld van een gesprek dat is blijven hangen: is het afstand, of een kloof die niet meer te overbruggen valt? Het linnen over de armleuningen doet denken aan meubels in een huis dat leegstaat, gehuld tegen het stof, wachtend op bewoners die niet meer terugkomen.

Het is een andere stilte dan die van de gedoofde ovens verderop in de hal, maar wel verwant. Ook hier is iets tot stilstand gekomen, en wat overblijft is niet het gesprek zelf, maar de vorm van zijn afwezigheid.

Dialogue, 2026, Carrara marble, 2 parts, each 85 x 85 x 85 cm
Dialogue, 2026, Carrara marble, 2 parts, each 85 x 85 x 85 cm

Een jas zonder lichaam

Op een tussenverdiep tref ik het werk van een -de enige- landgenoot: de Vlaamse schilder Willy Baeyens, geboren in 1960, die na een lange carrière als directeur van zijn eigen kunst- en reclamebureau zich sinds 2014 volledig aan de schilderkunst wijdt. Hij werkt vanuit zijn atelier in Koksijde, aan de Belgische kust, en schuwt in zijn werk geen van de zwaardere emoties: angst, pijn, verdriet, verlangen. Een korte zoekopdracht leert me dat het ondertussen bijna tien jaar geleden is dat ik kennismaakte met zijn werk in Watou.

One Size Jacket toont een lichtgekleurd jasje aan een kleerhanger, met riemen en gespen die eerder aan een dwangbuis doen denken dan aan alledaagse kleding. Er is niemand te zien, en toch gaat het schilderij over niets anders dan een lichaam: de vorm van iets dat afwezig is, maar nog altijd de contouren draagt van wie het ooit droeg. The Never Coming Moment zet die gedachte verder: een geplooid stuk zijdeachtige stof, licht glanzend tegen een donkergroene achtergrond, zonder enige aanwijzing van wat het ooit bedekte.

Baeyens schildert met een bijna fotografische precisie, en het is precies die precisie die de leegte zo voelbaar maakt. Waar Dierauer twee stoelen tegenover elkaar zet om een afwezig gesprek op te roepen, zet Baeyens een leeg kledingstuk neer om een afwezig lichaam op te roepen. Twee versies van dezelfde vraag: wat blijft er over zodra wie iets droeg, gebruikte of bewoonde, al lang vertrokken is?

Willy Baeyens - One size jacket
Willy Baeyens - One size jacket

Het wrak dat blijft uitzenden

Verderop staat het tegenovergestelde van naschijnend licht: een werk dat weigert te doven. Ironie des Schicksals van de Duitse kunstenaar Bernd Reiter toont een uitgerangeerde MiG-21, gevangen in een botsing met twee gitzwarte Amerikaanse limousines, verankerd met zandzakken en tankversperringen. Monitoren, ingebouwd in het wrak van vliegtuig en auto’s, tonen in een eindeloze lus beelden uit actuele oorlogsgebieden.

Waar Adoni’s vuur allang gedoofd is en alleen zijn vorm achterliet in LED, blijft hier de bron zelf actief. Het geweld wordt niet herdacht maar herhaald, keer op keer, zonder dat het beeld ooit tot rust komt. Geen naschijn dus, maar een licht dat weigert uit te doven, en daardoor minstens zo ongemakkelijk als de botsing die het zelf verlicht.

Ironie des Schicksals van de Duitse kunstenaar Bernd Reiter
Ironie des Schicksals van de Duitse kunstenaar Bernd Reiter

Mist en een roos

Tegenover al dat metaal en die herhaling hangt, bijna verontschuldigend klein, het werk van de Japanse kunstenaar Yasunari Kozuka. Met de cyanotypie-techniek brengt hij op extreem dun Gampi-papier laag over laag de vorm van een roos aan, tot de contouren beginnen te vervagen in een waas van blauw. Waar de roos traditioneel voor liefde staat, wordt ze hier een teken van stilte en terughoudendheid, een vorm die zich oplost in plaats van zich op te dringen. Een hoogleraar noemde zijn rozen ooit ijzig en bevroren, een stille vorm van memento mori.

Het is het rustigste licht van de hele hal: geen LED, geen schermen, alleen de nevelige overgang tussen zichtbaar en onzichtbaar. Na het geweld van Reiter en de stilte van Dierauer voelt het als een derde soort licht, een dat niet herinnert en niet uitzendt, maar traag vervaagt, zoals mist optrekt zonder dat je het moment kunt aanwijzen waarop ze weg is.

Deep Forest, 2025, Cyanotype on Gampi paper, 20 x 90 x 14 cm
Deep Forest, 2025, Cyanotype on Gampi paper, 20 x 90 x 14 cm

Een wereld onder één dak

Wat deze hallen bij elkaar houdt, is niet alleen de architectuur. NordArt trekt jaarlijks meer dan honderdduizend bezoekers en toont dit jaar, naast de vaste collectie, ook een Baltisch paviljoen, een project rond hedendaagse Mongoolse kunst en Landscape of Thought, een verzameling van vijftien Chinese kunstenaars die de industriële hallen laat samensmelten met inktschilderkunst en klassiek vakmanschap. Je loopt er niet zozeer van kunstwerk naar kunstwerk als wel van land naar land, van Zwitserland naar Duitsland naar Japan, zonder dat de overgang ooit geforceerd aanvoelt. De gieterij blijkt, achteraf, een verrassend goede gastheer voor die veelheid: een ruimte die zelf al gewend is aan hitte, druk en transformatie.

Naschijnend licht

Achteraf besef ik dat ik weinig aandacht besteed heb aan de buitenkunst. Het antwoord op de vraag die ik mezelf stelde kwam snel: ik was gewoon onder de indruk van de binnenruimte. Het was geen waardeoordeel, maar een verscheurende keuze.

Aan het einde van de dag blijven vijf vormen van licht hangen. Het naschijnende licht van Adoni, dat een gedoofd vuur reconstrueert in staal en LED. De verstilde afwezigheid van Dierauer, waar het gesprek zelf ontbreekt maar zijn vorm blijft staan. Het lege kledingstuk van Baeyens, dat een lichaam oproept juist door het niet te tonen. Het onophoudelijke licht van Reiter, dat weigert te doven en daardoor net zo verontrustend wordt als wat het toont. En de mist van Kozuka, die geen van beide is, geen herinnering en geen uitzending, maar een vervaging die je nooit op heterdaad betrapt. Vijf soorten licht, één gieterij. Denemarken wacht met een heel ander soort licht, maar dat is voor de volgende etappe.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder