Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?
Dertig graden
Na twee weken op de weg, na de zachte, wisselvallige lucht van Denemarken en Noord-Duitsland, sluit ik de reis af waar ze eigenlijk altijd al naartoe leidde: Duisburg. Het is bijna dertig graden. De zachte warmte van het noorden, dat schuchtere licht dat zich telkens weer moest bevechten tegen een wolk, is compleet verdwenen. Hier is de zon onverbiddelijk, recht naar beneden, zonder omwegen. Een merkwaardige plek om een zoektocht naar het licht af te sluiten: niet in een zachte gloed, maar in een hitte die alle nuance lijkt weg te branden.
Duisburg is de laatste etappe, en toevallig ook een dubbele: het Lehmbruck Museum, waar Anish Kapoor zopas de Wilhelm-Lehmbruck-Preis kreeg en een uitgebreide tentoonstelling opbouwde, en het Museum Küppersmühle, waar Jaume Plensa met Invisible zijn omvangrijkste solotentoonstelling in Duitsland in tien jaar neerzet. Twee kunstenaars, twee totaal verschillende omgangen met licht, op wandelafstand van elkaar. Ik bezoek eerst Kapoor, dan Plensa. Het blijkt, achteraf, de juiste volgorde.


Het zwarte gat van Kapoor
Het Lehmbruck Museum is zelf al een oefening in licht: een gebouw van de moderne architectuur waarin Kapoor een parcours heeft uitgetekend dat specifiek voor deze architectuur is ontworpen. In de lichthof van de Lehmbruck-vleugel staat Spire, een naar boven reikende punt van gepolijst edelstaal die de omgeving concaaf vervormt en Lehmbrucks in zichzelf gekeerde figuren in haar oppervlak lijkt op te nemen. Verderop, in de glazen hal, groeit 1st Body als een koraalrif van hars, doorschijnend en dicht tegelijk, en verandert van kleur naargelang het licht in de zaal.
Maar wat blijft hangen, is het zwart. Non-Object Black bestaat uit twee objecten die met Vantablack zijn bekleed, een pigment van koolstofnanobuisjes dat bijna al het invallende licht absorbeert. Je loopt eromheen en de vorm verdwijnt gewoon. Waar je een tastbaar object verwacht, opent zich een schijnbaar bodemloze diepte, alsof je naar een zwart gat kijkt in plaats van naar een sculptuur. Het is geen schaduw en geen leegte in de gewone zin; het is licht dat wordt opgeslokt en nooit meer teruggegeven.
Kapoor noemt zijn werk elders "non-objects", vormen die zich onttrekken aan een vaste verschijning, en spreekt over het verlangen om "beyond being" te gaan, voorbij het loutere zijn van een ding. Bij de Vantablack-stukken is dat op zijn scherpst: er is een contour, en dan is er niets meer. Ook de concave spiegelwerken elders in de zaal spelen dat spel, maar dan omgekeerd: ze slikken je beeld niet in. Ze zetten het op zijn kop en geven het vervormd terug.
Het is een vreemde ervaring, na twee weken waarin ik licht steeds als iets vrijgevigs heb leren kennen, als iets dat zich toont, verspreidt, weerkaatst: hier is licht dat verdwijnt en niet terugkomt. Een soort tegenpool van alles wat ik onderweg heb gezien, en precies daarom een gepaste laatste halte.


De open lichamen van Plensa
Bij Plensa, een kwartier verderop in de Küppersmühle, keert het licht terug alsof er niets gebeurd is. Invisible toont meer dan vijftig sculpturen, en meteen bij binnenkomst staat Flora in de inkomhal. In de indrukwekkende silo verderop hangt Invisible Anna, een groot, transparant hoofd opgebouwd uit roestvrijstalen staven, dat de ruimte met een haast serene aanwezigheid vult.
Wat me het meest bijblijft, is niet zozeer één werk als wel het algemene principe: de openheid van de sculpturen, de manier waarop ze met het licht spelen en hun eigen schaduwen op de muren werpen. Waar Kapoor het licht opsluit en laat verdwijnen, laat Plensa het net door zijn werk heen glippen. De stalen hoofden zijn geen ondoorzichtige massa maar een web. Het licht dat erdoorheen valt, tekent op de muur een tweede, vluchtiger sculptuur die met elke stap verandert. Marmer, albast, kunststof, brons, ijzer, staal. Verschillende materialen in acht zalen, maar telkens dezelfde vraag, hoe je een lichaam zo bouwt dat het licht toelaat in plaats van het te weren.
Plensa zelf omschrijft zijn werk als een poging om verbindingen te leggen tussen mensen, ongeacht huidskleur, ideologie of geografie. Dat verlangen naar verbinding voel je terug in de manier waarop de sculpturen zich openstellen voor wie er omheen loopt. Er is geen vaste hoek van waaruit je ze moet bekijken. Elke stap levert een nieuwe schaduwtekening op de muur op. Na het zwarte gat van Kapoor voelt dit als een antwoord, of misschien gewoon als het andere uiterste van dezelfde vraag.






Wat hebben we geleerd vandaag?
Veertien delen lang heb ik, in de meest letterlijke zin, licht gezocht. Het pigmentlicht van Unna, het spiegelende licht van Richter in Münster, het havenlicht van de Elbphilharmonie, het nagloeiende licht van een gedoofde ijzergieterij in Carlshütte, het levende licht van Fjordenhus in Vejle, het licht dat Turrell je teruggeeft na een ondergrondse gang in Aarhus, het licht dat Eliasson in kleur breekt. Elke keer een andere gedaante van hetzelfde verschijnsel. Elke keer een andere manier om ernaar te kijken, elke keer ook een andere versie van mezelf die kijkt.
Wat die reeks van tegenstellingen me vooral leert, is dat licht nooit neutraal is. Het pigment in Unna viel als een halo op de grond, alsof het object zelf grotendeels onzichtbaar bleef. De spiegels van Münster en Duisburg geven je terug wat je zelf meebrengt, vervormd. Het nagloeiende licht van een gedoofde industrie in Carlshütte draagt de herinnering aan wat er ooit brandde. Telkens is licht niet zomaar iets dat schijnt, maar iets dat een verhouding schept. Tussen kijker en voorwerp, maar ook tussen verleden en heden, tussen wat zichtbaar is en wat zich onttrekt.
In Duisburg komen twee uitersten van die verhouding samen op één middag: licht dat wordt opgeslokt tot er niets meer overblijft, en licht dat vrij door een lichaam heen mag stromen tot het zelf een nieuwe vorm aanneemt op de muur.
Geen synthese, geen les die alles verklaart. Eerder een herinnering dat zoeken naar licht nooit uitkomt bij één antwoord, maar bij een verzameling van manieren waarop het zich aan je kan voordoen, of juist aan je kan onttrekken.
Ja, ik heb het licht gezien
Ergens tussen die twee musea in, met mijn hoofd achterover in een van de architecturale openingen, kijk ik recht omhoog naar waar het licht binnenvalt. Het is een banale, bijna kinderlijke houding, en precies daarom de juiste om deze reis mee af te sluiten.
Geen mystieke ervaring, geen bekering, gewoon iemand die letterlijk zijn hoofd in de nek gooit om te zien waar het licht vandaan komt.
Deel acht van deze reeks heette Ik heb het licht gezien, geschreven na Aarhus, toen ik dacht dat ik er al was. Nu, in Duisburg, met het zweet nog op mijn nek van de dertig graden buiten, besef ik dat het zoeken nooit echt stopt. Het verandert alleen van vorm, van zwart naar transparant, van noorden naar zuiden, van stad naar stad.
Maar op deze ene foto, hoofd in de nek, kijkend naar een cirkel van licht boven me, mag ik het toch nog een keer zeggen,. Met een knipoog deze keer.
Paulo Coelho
"No one lights a lamp in order to hide it behind the door: the purpose of light is to create more light, to open people's eyes, to reveal the marvels around."
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
