Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?
Aarhus achter me, de weg weer recht vooruit. Vandaag geen museum om tien uur ’s ochtends, geen wachtrij, geen ticket. Vandaag alleen de auto, het asfalt, en het besef dat deze reis, ergens tussen hier en Kopenhagen, haar helft nadert. Twee weken is een rond getal totdat je er middenin zit - dan wordt het iets anders, iets dat je moet dragen in plaats van plannen.
Ik heb dat vaker gemerkt onderweg: tijd gedraagt zich niet hetzelfde in een auto als in een museumzaal. In een Skyspace van Turrell wacht je tot het licht verschuift, en de tijd kruipt omdat je hem cadeau krijgt - je hebt niets anders te doen dan zien. In de auto is het net andersom. De tijd kruipt omdat je hem néémt, kilometer na kilometer, een stuk van de dag dat je opeist voordat iemand anders het kan doen. Krijgen en nemen voelen bijna hetzelfde vanbinnen. Alleen de richting van de wil verschilt.
Denemarken doet weinig moeite om die gedachte te onderbreken. Vlak land, wijde luchten, licht dat traag van kleur verandert zonder ooit dramatisch te worden. Geen kunstwerk hoeft hier iets te doen - het landschap is zelf al oefening in aandacht.
Er is iets bevrijdends aan een dag zonder openingsuren. Geen museum dat om vijf uur sluit, geen suppoost die je vriendelijk maant tot vertrek. Alleen de klok van de batterij, de vraag hoeveel kilometer een dag met licht nog toelaat. Het is een andere discipline dan die van een zaal vol schilderijen, maar wel een discipline. Ook rijden is kijken - alleen verschuift het beeld voor je, in plaats van dat jij verschuift voor het beeld.


Wat vooruitgang met licht te maken heeft
Onderweg luister ik naar Rutger Bregman, die het heeft over de geschiedenis van vooruitgang - hoe traag en onwaarschijnlijk die geschiedenis eigenlijk is, hoe weinig vanzelfsprekend het idee dat het beter wordt. Ik rijd en luister, en ergens halverwege valt me het woord op waar ik al die tijd naast heb geluisterd zonder het te horen: Verlichting.
Verlichting, wat een mooie Nederlandse bundeling van letters. Verlichting is het woord voor het project van de rede, van kennis die duisternis verdrijft - en het is evengoed het woord voor wat ik al acht afleveringen lang zoek in musea en steden. Dezelfde term voor een filosofische breuk in de achttiende eeuw en voor een lichtstraal die door een raam van de Elbphilharmonie valt. Alsof de taal zelf al wist dat vooruitgang en licht hetzelfde soort hoop delen: dat er iets zichtbaar wordt wat eerst verborgen was.
Woordspeling als toeval
Het is een woordspeling die je makkelijk als toeval kunt afdoen, tot je bedenkt hoeveel kunstenaars in deze reeks eigenlijk met dezelfde belofte werken. Turrell laat je wachten tot je ziet wat er altijd al was. Eliasson bouwt een panorama waarin de stad zelf pas leesbaar wordt door een gekleurd filter. Ook dat is een vorm van verlichting in de oude, verheven betekenis: niet iets nieuws maken, maar iets bestaand zichtbaar maken dat eerder buiten bereik lag.
Bregman vertelt het als een lijn - vooruitgang als iets dat zich, met vallen en opstaan, opstapelt. Maar terwijl ik luister, denk ik aan de musea van de voorbije week en besef ik dat licht zich nooit als een lijn gedraagt. Het schuift, het keert terug, het verdwijnt achter een wolk en komt weer op. Misschien is dat ook de eerlijkste manier om naar vooruitgang te kijken: niet als iets dat je vooruit brengt, maar als iets dat blijft schijnen, met tussenpozen, of je nu kijkt of niet.
Paarden die niemand meer zoekt
Voor Bregman luisterde ik naar Arthur Brand, de Nederlandse kunstspeurder, over twee monumentale bronzen paarden van Josef Thorak - de Schreitende Pferde die ooit in de tuin van de Rijkskanselarij stonden, in het directe zicht van Hitlers kantoorraam. Na de slag om Berlijn dacht iedereen dat de beeldengroep was vernietigd. Iedereen dacht dat, tot Brand in 2015 een kleurenfoto onder ogen kreeg en zich afvroeg wie er zoveel moeite zou doen om iets na te maken dat toch al verloren was. Het spoor leidde hem uiteindelijk naar een opslagloods in het Duitse Bad Dürkheim, waar de paarden na zeventig jaar weer opdoken.
Wat blijft hangen is niet de geschiedenis zelf, maar de vorm ervan: een spoor volgen dat bijna is uitgewist. Brand zoekt geen kunstwerk, hij zoekt een afwezigheid - iets dat er wel geweest is en zich weigert te laten vergeten. Dat is griezelig dicht bij wat ik zelf doe met deze reeks. Ik zoek het licht is ook een titel over zoeken, niet over vinden. Over iets nalopen dat zich onttrekt zodra je denkt het te pakken hebt - een Skyspace die pas iets doet als je wacht, een rainbow panorama dat morgen een andere kleur licht binnenlaat dan vandaag.
Geen jacht, geen triomf
Een verloren paard en een verschuivend licht hebben zo weinig met elkaar te maken, en toch: beide vragen om dezelfde soort aandacht. Iemand moet bereid zijn te blijven zoeken naar iets dat zich niet aandient.
Wat me ook bijblijft is de geduldige toon waarmee zo’n zoektocht wordt verteld - geen jacht, geen triomf, eerder een lange reeks toevalligheden en doodlopende straatjes die uiteindelijk ergens op uitkomen: een foto, een loods, een schoolplein waar niemand ooit vermoedde dat er geschiedenis stond. Dat is niet zo ver van hoe een reisverslag als dit ontstaat. Ook hier is niet elke dag een vondst. Sommige dagen is er alleen de weg, en het vertrouwen dat er ergens verderop weer iets oplicht.
Gewoon gewoon
Ik heb vandaag niet gekozen tussen Bregman en Brand. De ene aflevering eindigde, de volgende begon, en ik liet het gebeuren. Geen keuzestress, gewoon … gewoon. Dat klinkt onbeduidend, maar het is precies het tegenovergestelde van wat een museum van je vraagt. In een museum kies je: deze zaal eerst, dit werk langer bekijken dan dat, deze route door de ruimte. In de auto kies je niets. De weg kiest, de podcast kiest, de volgende afslag kiest.
Misschien is dat waarom een rijdag als vandaag toch bij de reeks hoort, ook zonder Turrell of Eliasson erin. Vooruitgang volgens Bregman is een verhaal van keuzes die zich opstapelen tot iets dat op een lijn begint te lijken. Het paard van Brand is een verhaal van toeval, van iemand die iets terugvindt zonder ooit precies te hebben gekozen waar te zoeken. Tussen die twee in rijd ik zonder route-eisen aan mezelf te stellen buiten de volgende stad.
Misschien is dat de eerlijkste vorm van vooruitgang die ik vandaag te pakken krijg: niet de grote lijn van Bregman, niet de lange speurtocht van Brand, maar het simpele feit dat ik ’s ochtends vertrok en er ’s avonds verder zal zijn. Geen inzicht, geen doorbraak. Gewoon een stuk weg dat is afgelegd, en een hoofd dat onderweg iets rustiger is geworden dan het vertrok.


De weg zelf
Het licht boven de snelweg is nu dat typisch Deense grijswit, zonder scherpe randen, alsof iemand de zon door een stuk vloeipapier laat schijnen. Het dashboard geeft een zwakke gloed terug, precies genoeg om de kaart te lezen zonder de weg te verliezen. Niets hier is bekend. Geen route die ik al eens reed, geen bocht die ik herken. Alles wat ik zie, zie ik voor het eerst, en toch voelt het niet als vreemd terrein. Vandaag rijd ik alleen maar verder, naar Kopenhagen, met de radio aan en de vlakte die zich voor me opent als een zaal zonder muren, van niemand nog bezocht dan wie er nu doorheen rijdt."
Misschien is denken vooral een vorm van rijden: je komt nergens aan, je verplaatst je alleen dichter naar een gedachte die al onderweg was.
Yves Joris
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
