Deze zomer reis ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen en weer te geven. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer bij het werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse brouwerijkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Hoe lang ik er die middag gezeten heb, weet ik niet. In Kanaal, de site van Axel Vervoordt in Wijnegem, ben ik al vaak bij het werk van James Turrell neergestreken, vaak genoeg om te weten dat je er niet naar kijkt zoals naar een schilderij. Je gaat erin wonen. De wanden lossen op, de kleur wordt een ruimte, en na een tijd merk je dat je ademhaling zich aan het licht heeft aangepast in plaats van omgekeerd.

Er bestaat in de schilderkunst een rijke traditie van werken over licht, zegt Turrell zelf, maar dat is geen licht, dat is de neerslag van het kijken. Vermeer ving het in een melkstraal, Turner joeg het over zee, de impressionisten hakten het in stukjes. Allemaal getuigenissen achteraf, hoe meesterlijk ook. Turrell slaat het verslag over en geeft je het materiaal zelf in handen: wie in zijn werk zit, kijkt niet naar een herinnering aan licht, maar zit in de bron. Misschien was dat wat er die middag in Wijnegem kantelde. Het besef dat ik jarenlang naar verdienstelijke pogingen had zitten kijken en nu pas ter plaatse was.

Toen ik weer buiten stond, in het gewone namiddaglicht boven het kanaal, wist ik wat de zomer moest worden: twee weken rijden, van museum naar museum, met één opdracht op zak. Het licht zoeken.

De eerste halte lag totaal niet voor de hand: Unna, een stadje aan de oostrand van het Ruhrgebied. Tien meter onder de grond ging ik op zoek naar het licht.

Mehr Licht

Wie in Unna aankomt, hoeft niet lang te zoeken. Boven de ingang van de oude Lindenbrauerei staat het in lichtletters op de rode gevel: MEHR LICHT. De zin die elke Duitser als de laatste woorden van Goethe kent, als uithangbord voor een museum. Meer licht, het klinkt ook als een bestelling aan de toog van een brouwerij waar tussen 1859 en 1979 Linden-Adler-Pils werd gebrouwen. Ernaast prikt de 52 meter hoge schoorsteen in de lucht; Mario Merz liet er in blauw neon de reeks van Fibonacci tegenop klimmen, cijfers die naar de oneindigheid wijzen boven de daken van een provinciestad.

Over die laatste woorden wordt overigens al twee eeuwen gebakkeleid. Volgens de overlevering vroeg de stervende dichter in Weimar om meer licht; volgens nuchterder bronnen vroeg hij gewoon of iemand het tweede vensterluik wilde openen, en is de rest mythevorming.

Het maakt weinig uit. Juist als een bestelling die nooit helemaal geleverd werd, is de zin het perfecte motto voor een huis dat het licht blijft zoeken. En dat dit huis uitgerekend in het Ruhrgebied staat, een streek die haar welvaart generaties lang uit het donker haalde, uit kolenmijnen en hoogovens en kelders, geeft de onderneming iets van een eerherstel. Waar vroeger mannen afdaalden om het zwart naar boven te halen, daal je hier af voor het licht.

Een kwarteeuw oud

Het Zentrum für Internationale Lichtkunst, geopend in 2001 en dit jaar dus een kwarteeuw oud, afficheert zich als het enige museum ter wereld dat zich uitsluitend aan lichtkunst wijdt. Belangrijker nog: het hangt zijn collectie niet aan de muur, het laat ze wortelen. Vrijwel elk werk beneden is voor deze kelders gemaakt en kan nergens anders bestaan. Kosuth, Van Munster, Sonnier, Eliasson, Turrell: ze kwamen ter plaatse, keken naar de gewelven en bouwden hun licht in de leegte die het bier had achtergelaten.

"My work is about your seeing. There is a rich tradition in painting of work about light, but it is not light - it is the record of seeing. My material is light, and it is responsive to your seeing."

James Turrell

De afdaling

De afdaling zelf is al een openingszin. Een catwalk in roestvrij staal voert licht hellend en zigzaggend naar beneden, glanzend als een instrument in het schemerdonker, en onder het rooster schitteren woorden in wit neon: een tekstpassage van Heinrich Heine, door Joseph Kosuth over de keldervloer gelegd. Afdalend lees je flarden, nooit het geheel; het werk wisselt voortdurend tussen licht en duisternis en spiegelt zichzelf in het gepolijste staal onder je voeten.

Der Mensch braucht nur seine Gedanken auszusprechen, und es gestaltet sich die Welt. Es wird Licht oder es wird Finsternis.

Een scheppingsverhaal onder je voeten, maar dan een van de taal: niet God die spreekt, maar de mens, en met elk woord kiest hij tussen licht en donker. Je kunt een schrijver die aan een reisreeks begint geen scherpere waarschuwing meegeven.

Ook dit verslag zal de wereld die het beschrijft mee vormgeven, zin na zin, en ik zal telkens die keuze moeten maken. Wie een reeks begint die "ik zoek het licht" heet, kan zich geen betere drempel dromen.

Upon the catwalk

En dat de catwalk niet recht naar beneden stort maar zigzagt, begreep ik pas later als gebruiksaanwijzing. Zo zal ook deze reis verlopen: geen rechte lijn naar het doel, maar een meanderende tocht waarbij het licht bij elke bocht van kant wisselt. Wie te recht op het licht afgaat, verblindt zichzelf. Wie meandert, ziet het telkens vanuit een andere hoek.

Tien meter onder Unna houdt de wereld vervolgens op met ontvangen. Geen bereik, meldde mijn telefoon bij de eerste bocht van de catwalk, en daarna meldde hij anderhalf uur lang helemaal niets meer. Wat me het eerst opviel, was de rust. Niet de afwezigheid van geluid, oude kelders kraken en zoemen en druppelen, maar de afwezigheid van trekkracht. Het kleine scherm in mijn zak, dat andere licht dat de hele dag om aandacht bedelt, was dood. En alsof ergens een schuif openging, kwam al die aandacht vrij voor wat hier beneden wél stond te stralen.

We dragen tegenwoordig allemaal licht op zak, bedacht ik daar in het donker. Lucifer, de lichtbrenger: zo heette ooit het zwavelstokje in onze broekzak, en zo mag van mij ook het schermpje heten dat ons dag en nacht bijlicht. Het is licht dat neemt in plaats van geeft, licht dat naar ons kijkt in plaats van zich te laten bekijken. En het vreemde is dat je pas merkt hoeveel het neemt op het moment dat het uitvalt. Anderhalf uur zonder bereik, en de aandacht die vrijkwam voelde als een erfenis waarvan ik het bestaan was vergeten.

Het is een merkwaardige omkering. Kathedralen bouwden eeuwenlang de hoogte in om het licht te vangen, met vensters als vangnetten voor de hemel. Hier kruipt het licht in koelkelders en gistkuipen, in ruimtes die ontworpen zijn om koel en donker te blijven. Misschien is dat wel de juiste plek.

Licht heeft duisternis nodig zoals een stem stilte nodig heeft, en nergens is de duisternis zo dwingend als tien meter onder een voormalige brouwerij.

Afspraak met een vriend

Ik wist dat James Turrell er hing, dus een verrassing was het niet. Eerder het gevoel dat je in het buitenland een vriend tegenkomt met wie je hebt afgesproken: je wist dat hij zou komen, en toch slaat je hart even over wanneer hij de hoek om komt. Floater 99 is de enige installatie in de collectie die een ruimte van licht bouwt binnen de architectuur zelf.

Je stapt erin en het licht neemt je op; achter een scherm laten leds de ruimte traag kantelen van ijsblauw naar magentarood, en de enige zekerheid die overblijft, is dat je ogen je niet meer vertellen waar de ruimte eindigt. In Wijnegem woonde ik in het licht. Hier verdween ik erin. Dezelfde kunstenaar, een andere vraag.

Zo gaat dat misschien met kunstwerken die je vaker opzoekt, bedenk ik bij mezelf: ze worden vrienden, en zoals goede vrienden veranderen ze niet zozeer zelf, maar houden ze je een spiegel voor waarin jij veranderd blijkt. Het grootste verschil tussen Wijnegem en Unna zat niet in de leds. Het zat in de kijker, die intussen de grens over was gereden om uit te zoeken wat hij daar al die jaren precies had zitten zoeken.

Kleuren die opengaan

En dan de kleuren. Hoe langer we beneden waren, hoe helderder ze leken te worden, alsof iemand ongemerkt de verzadiging opendraaide. In de oude paternosterliftschacht laat Jan van Munster zijn ICH in blauw neon oplichten, een ik dat in tien talen wordt doorgespeeld en de bovenwereld met de onderwereld verbindt. In de gangen zweven de gekleurde neonlussen van Keith Sonniers Tunnel of Tears van rood over violet naar blauw. En Olafur Eliasson bouwde een loopbrug tussen twee watervallen: in het stroboscooplicht hangen de druppels stil in de lucht, alsof iemand de zwaartekracht op pauze heeft gezet.

Alles gezien hebben we niet. Ook een kelder van drieduizend vierkante meter is niet in één afdaling uit te putten, en het stoorde me geen moment. Een flaneur die alles gezien heeft, heeft niet goed geflaneerd. Wat je overslaat is geen verlies maar een belofte, de reden waarom een plek je later nog eens terugroept.

Een lesje fysiologie

Het is deels fysiologie, natuurlijk. In het halfduister zetten pupillen zich wijd open, en wie dan een wand verzadigd neon voorgeschoteld krijgt, ondergaat kleur bijna lijfelijk. Maar het is ook aandacht. Ik zag niet meer licht dan anders, ik zag beter. Dat is, vermoed ik, het verschil tussen licht zoeken en leren kijken, en het is precies wat Turrell bedoelt wanneer hij zegt dat zijn materiaal niet het licht is maar ons zien. Oogartsen weten bovendien dat het netvlies ruim een half uur nodig heeft om zich echt op het donker in te stellen; wie te snel weer naar boven gaat, heeft het beste nog niet gezien.

Misschien geldt dat ook voor reizen.

Misschien moet een mens eerst een tijd in het donker doorbrengen voor hij het licht kan zien dat er altijd al was, en is dat wat deze twee weken moeten worden: veertien dagen wennen aan het donker, om beter te leren kijken.

In het jubileumjaar loopt bovendien LIGHT DIALOGUES, een samenspel met de collectie van het SCHAUWERK Sindelfingen, geordend rond drie toegangen tot het licht: vorm, kleur, teken.

In de grootste zaal, tussen pijlers van zeven meter, herhaalt Maurizio Nannucci in neon zijn vragen: WHAT TO LOVE WHAT NOT TO LOVE. Wat lief te hebben, wat niet. Na anderhalf uur zonder bereik klonk dat minder als conceptuele kunst en meer als een gewetensonderzoek.

Wat we zoeken

Boven vond mijn telefoon zijn netwerk terug en begon hij te trillen alsof er niets gebeurd was. Op de gevel brandde nog altijd MEHR LICHT, maar ik wist intussen dat Goethe het verkeerd besteld had, of toch onvolledig. Niet meer licht is wat we nodig hebben, wel het juiste: licht dat aandacht teruggeeft in plaats van ze op te eisen. In Unna moest ik daarvoor onder de grond, buiten bereik, terug naar pupillen die zich openzetten in het donker.

Een catalogus heb ik natuurlijk meegenomen, maar ook een (vage) belofte aan mezelf: elk licht dat ik onderweg tegenkom, zal ik afmeten aan de vraag of het mijn aandacht opeist of teruggeeft. De komende twee weken rijd ik noordwaarts, het lange Scandinavische avondlicht tegemoet, om uit te zoeken of het daar ook bovengronds te vinden is. In een rechte lijn zal het niet gaan, maar dat hoeft ook niet meer. De zigzag van Unna heeft me geleerd dat wie het licht zoekt, beter meandert.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder