De ontmoeting met een kunstwerk begint niet altijd in een museum of een galerij. Soms begint ze in een browservenster, laat op de avond, wanneer de wereld even zijn gewicht verliest en het verlangen naar iets groters plots tastbaar wordt. Zo begon mijn ontmoeting met het werk van Caroline Corbasson niet in Arles, niet in een atelier of onder een Provençaalse hemel, maar in een digitaal niemandsland waar een boek mij aankeek met een kleur.

Blauw. Geen verleidelijk blauw, geen instagrammable blauw, maar een blauw dat niet wilde behagen. Een blauw dat me ruimte liet voor twijfel, voor die trage ademhaling waarin iets zich aandient zonder zich te laten vastpakken. Ik bestelde de bundel Something moves zonder goed te weten wat ik kocht. Misschien is dat wel de zuiverste vorm van verzamelen. (Ofwel van mijn tsundoku.)

Ik verzamel geen objecten, geen investeringen, geen zekerheid. Ik verzamel toestanden en emoties. Blauw is zo’n toestand. Al jaren duikt deze kleur op in mijn schrijven en kijken als een mentale ruimte waarin tijd, herinnering en verlangen elkaar kruisen. In het Antwerps Blauw van Dolf Verlinden werd het een stedelijke melancholie, een pigment dat geschiedenis en schilderkunst met elkaar liet fluisteren. Bij Wojciech Fangor werd blauw een vibrerend veld waarin het oog zijn eigen beweging ontdekte. Bij Anton Kusters werd ik getroffen door 1078 blauwe luchten. Blauw was nooit een oppervlak, altijd een diepte. En bij Piet Stockmans is het gewoon een heel leven. Een plaats waar iets in mij zacht begint te schuiven.

Dat is ook het blauw dat ik bij Corbasson herkende. Zij is geboren in 1989 in Saint-Étienne, woont en werkt in Parijs, en beweegt zich in haar praktijk tussen schilderkunst, fotografie, film, tekst en sculptuur. Ze is opgeleid in Londen en Parijs, maar haar echte atelier bevindt zich vaak elders: in observatoria, in wetenschappelijke archieven, in de infrastructuur waarmee de mens probeert het universum te begrijpen. Ze werkte met het Franse CNRS en CNES, met het Paranal-observatorium in Chili, met instituten waar licht wordt gevangen en omgezet in data. Maar wat zij met die data doet, is iets radicaal anders dan kennis produceren. Ze vertaalt meten naar ervaren. Ze maakt van wetenschap geen uitleg, maar een bron van poëzie.

De kosmos tussen wetenschap en poëzie

Wat mij daarin raakt, is hoezeer haar werk niet gaat over de kosmos als spektakel, maar over de kosmos als kwetsbare ruimte. Haar sterren zijn geen heroïsche objecten, haar hemel geen theatrale oneindigheid. Het zijn sporen. Afdrukken – of zijn het indrukken- van licht dat miljoenen jaren onderweg was. Tekens van iets dat er misschien niet meer is, maar dat nog steeds onze ogen bereikt. In die zin is elke ster bij Corbasson een herinnering. Elk beeld een vorm van vertraagde nabijheid. Het universum wordt geen buitenwereld, maar een innerlijke ruimte waarin tijd en gemis met elkaar verstrengeld raken.

In haar bundel staat een klein gedicht, bijna een ademtocht, dat dit alles samenbalt.


Presque rien.
C’est presque rien
Qui m’a fait t’aimer
C’est presque rien
Qui m’a fait te quitter.


Bijna niets. Het is bijna niets dat liefde laat ontstaan. En bijna niets dat haar weer doet verdwijnen. Dat gedicht is geen illustratie bij haar beelden, het is hun emotionele ondergrond. Het zegt wat haar kosmische fotografie en haar blauwe velden doen: ze tonen niet het grote, maar het minimale. De verschuiving die alles verandert. Een tint die net anders valt. Een gevoel dat kantelt. Een herinnering die een nieuwe kleur krijgt.

Presque rien en de kwetsbaarheid van kijken

Blauw is daarvoor voor mij de perfecte drager. Blauw is de kleur van afstand en nabijheid tegelijk. De zee die je niet kunt vastpakken. De lucht die je alleen ziet doordat ze licht weerkaatst. In het werk van James Turrell wordt dat misschien het zuiverst geformuleerd wanneer hij zegt: In the age of consumerism and materialism, I traffic in blue sky and colored air. Hij verkoopt geen objecten, maar toestanden. Geen dingen, maar ervaringen van kijken. Dat is precies wat Corbasson ook doet. Haar blauw is geen pigment op doek, het is een atmosfeer waarin je blik begint te ademen.

Haar werk voelt als een zacht verzet. Ze vertraagt. Ze toont ruis, onvolledigheid, onzekerheid. Haar beelden zijn vaak opgebouwd uit fragmenten, uit analoge foto’s en digitale scans, uit tekeningen en archiefmateriaal. Ze weigert de gladheid van het definitieve beeld. Wat ze toont is het proces van waarnemen zelf, met al zijn breuken en vertragingen. Ze laat zien dat kijken geen bezit is, maar een voortdurend verschuivende relatie tussen wat er is en wat we denken te zien.

Caroline Corbasson en de kunst van de waarneming

Daarin raakt haar werk iets wat voor mij altijd centraal heeft gestaan in het flaneren. De flaneur is geen consument van beelden, maar een verzamelaar van momenten. Iemand die niet jaagt op conclusies, maar zich laat ophouden door details. Door bijna niets. Een flaneur loopt niet om aan te komen, maar om te dwalen. Zo ook in het universum van Corbasson. Je kunt haar beelden niet snel lezen. Ze vragen om een blik die bereid is om te blijven hangen in onzekerheid.

De bundel die ik kocht, werd zo mijn persoonlijke tentoonstelling. Geen zaal, geen route, geen curator die mijn blik stuurt. Alleen pagina’s, blauw en stilte. Ik bladerde, sloot het boek, opende het weer. Zoals je dat doet met herinneringen. Zoals je dat doet met liefdes waarvan je denkt dat ze voorbij zijn, maar nooit verdwijnen in de vele herinneringen.

Corbassons samenwerking met wetenschappelijke instellingen geeft haar toegang tot een wereld van instrumenten, telescopen en data. Maar wat zij daarmee maakt, zijn geen grafieken. Het zijn beelden die de fragiliteit van kennis tonen. Hoe elke meting ook een vorm van blindheid bevat. Hoe elke observatie iets achterlaat dat niet gemeten kan worden. In haar werk ontstaat zo een spanningsveld tussen weten en niet-weten, tussen controle en overgave. Ze nodigt ons uit om niet alleen te kijken naar wat zichtbaar is, maar naar de voorwaarden waaronder iets zichtbaar wordt.

Iets beweegt in het blauw

Daarin sluit ze aan bij een lange traditie van kunstenaars die blauw niet als kleur, maar als ruimte hebben begrepen. Klein, Stockmans, Turrell, Fangor, Verlinden. Ze maken geen beelden om naar te kijken, maar velden om in te verdwijnen. Corbasson voegt daar iets eigentijds aan toe door wetenschap en poëzie met elkaar te laten spreken. Haar sterren zijn geen objecten van fascinatie, maar spiegels waarin we onze eigen afstand tot de wereld herkennen.

Misschien is dat waarom het gedicht Presque rien zo hardnekkig blijft nazinderen. Het zegt wat haar kosmische beelden niet kunnen zeggen met data of pixels. Dat alles wat ons raakt, begint met iets dat nauwelijks zichtbaar is. Een kleine verschuiving in aandacht. Een lichte verandering in toon. Een blauw dat iets dieper wordt. Liefde ontstaat niet door een explosie, maar door een nuance. Ze verdwijnt ook zo.

Ik was niet in Arles. Ik zag de tentoonstelling niet. Maar ik ontmoette een kleur. En soms is dat genoeg. Blauw als verzamelobject. Blauw als innerlijke ruimte. Blauw als dat bijna niets dat alles in beweging zet. Zoals bij Turrell de lucht geen leegte is, maar een medium, zo wordt bij Corbasson de kosmos geen buitenwereld, maar een veld waarin onze blik zichzelf tegenkomt.

De kunstflaneur blijft verzamelen. Geen objecten, maar tinten. Geen bezit, maar aandacht. En ergens, in dat steeds groeiende archief van blauw, blijft iets bewegen. Presque rien. Bijna niets. En toch alles.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder