Deze zomer reis ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen en weer te geven. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer bij het werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse brouwerijkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

De bol weegt achtenveertig kilo en hangt aan een roestvrijstalen kabel van bijna negenentwintig meter, bevestigd in de vieringkoepel van een barokke kerk die geen kerk meer is. Hij zwaait. Traag, onverstoorbaar, vier centimeter boven een cirkelvormige plaat van Grauwacke, een sedimentgesteente van 380 miljoen jaar oud. Ik sta aan de rand van de afzetting en kijk. Buiten aarzelt de Munsterse lucht tussen blauw en grijs en ik ben vandaag, dat besef ik pas hier, de hele dag op zoek geweest naar licht.

Zestienduizend stappen telt mijn horloge wanneer ik de Dominikanerkirche binnenstap. Het is de tweede dag van de roadtrip die in Antwerpen begon en over twee weken in Groningen zal eindigen, een traject langs lichtkunst, architectuur en hedendaagse kunst. Gisteren daalde ik in Unna af in de ondergrondse gewelven van het Zentrum für Internationale Lichtkunst, waar Turrell het duister tot materie maakt. Vandaag is Münster aan de beurt, een stad die haar kunst niet opbergt maar uitstrooit: in musea, op pleinen, en in deze ontwijde kerk waar Gerhard Richter de aarde laat draaien.

De stad als omweg

Wie Münster zegt, zegt Skulptur Projekte. Om de tien jaar herschrijft de stad haar plattegrond met beelden. Wat blijft hangen, vormt een museum zonder muren. Mijn wandeling begint in het LWL-Museum für Kunst und Kultur, waar de collectie moeiteloos schakelt van middeleeuwse retabels naar naoorlogse abstractie. Maar ik merk dat ik snel doorloop. Niet uit desinteresse, eerder uit onrust.

In een van de bovenzalen staat een rode sculptuur van Phyllida Barlow, untitled zoals zoveel van haar werk: een hellende stapeling van schappen die het midden houdt tussen barricade en boekenkast. Ze verwijst, zegt de zaaltekst, naar binnen- en buitenruimte tegelijk. Maar de enige andere bezoeker in de zaal heeft er geen oog voor. Hij staat roerloos aan het raam, zijn silhouet in het tegenlicht. Voor hem verdelen de witte vensterstijlen de Sint-Paulusdom in keurige rechthoeken: een romaanse toren hier, een gotische geveltop daar, onderaan een strook boomkruinen.

De stad als legpuzzel voor kleine kinderen, elk stuk netjes omkaderd, wachtend om in elkaar geschoven te worden. Ik fotografeer hem terwijl hij kijkt en besef dat het raam op dit moment het meest bekeken werk van het museum is. Barlow had er vermoedelijk om kunnen lachen: haar sculptuur gaat over de blik naar buiten, en de zaal geeft haar op dit uur volmondig gelijk.

Ook dat is licht zoeken op een bewolkte dag: niet in de collectie, maar in het kader eromheen. Ik loop verder, sneller dan een flaneur betaamt, want twee adressen verderop wachten twee tegengestelde antwoorden op dezelfde vraag: wat doet een schilder met licht dat er niet is?

Helder licht, geschilderd

Het Kunstmuseum Pablo Picasso toont deze zomer de collectie van verzamelaar-galerist Helmut Klewan: meer dan tweehonderd werken van Grenzgänger van de Parijse moderne, met grote ensembles van Giacometti, Picasso, Masson en Dubuffet, geflankeerd door surrealisten als Max Ernst, Man Ray, Dali en Magritte. Het is een tentoonstelling die je traag maakt. Giacometti alleen al is goed voor meer dan zeventig werken, portretten vooral, waarin het kijken zelf het onderwerp lijkt.

Maar het is een kleiner ensemble dat mij vasthoudt. In een zijzaal hangt een bekend plein van Giorgio de Chirico: twee arcadegebouwen, een schoorsteen als toren, een ruiterstandbeeld dat zijn eigen schaduw lijkt te wantrouwen. De zaaltekst noemt hem de grootmeester van de raadselachtigheid en citeert een vroege theoretische tekst:

“Het komt erop aan de kunst te bevrijden van alles wat zij aan reeds bekends bevat: alle voorwerpen, al het gedachte.”

En dan die ene zin die blijft plakken: de Chirico baadde zijn vreemd ontvolkte steden in helder licht. Daar staat het, zwart op wit, terwijl buiten de wolken zich opnieuw sluiten. Het licht bij de Chirico is geen weersomstandigheid maar een welbewuste beslissing. Het valt schuin en hard over lege pleinen, werpt schaduwen die langer zijn dan de dingen die ze werpen. Het verklaart niets.

Zijn metafysische schilderkunst berust, naar eigen zeggen, op drie pijlers: la nostalgia, la solitudine, il sogno. Verlangen, eenzaamheid, droom. René Magritte zou bij het zien van zijn eerste de Chirico tot tranen toe bewogen zijn geweest; Tanguy en Breton sprongen elk van een rijdende bus toen ze een doek van hem in een Parijse galerie zagen hangen. Ik spring nergens van, maar ik begrijp de reflex. Dit is licht dat je niet kunt fotograferen omdat het nooit bestaan heeft. Het is licht dat ontsproten is aan verbeelding.

Grijs dat niets wil zeggen

Tien minuten verder, aan de Salzstraße, staat de Dominikanerkirche. Lambert Friedrich von Corfey bouwde haar in het begin van de achttiende eeuw als een Romeins-Frans barokjuweel: sober vanbinnen, weelderig van proportie. In 1811 geseculariseerd, later depot, schoolkerk, universiteitskerk, in 2017 definitief ontwijd. Sinds 2018 hangt hier Zwei Graue Doppelspiegel für ein Pendel van Gerhard Richter, na het raam in de Dom van Keulen zijn tweede werk voor een kerkruimte. Al is kerkruimte hier een woord met een geschiedenis in plaats van een functie.

De installatie bestaat uit drie elementen. De foucaultslinger, ontworpen met het natuurkundig instituut van de universiteit, met zijn bol van tweeëntwintig centimeter doorsnede. De holgewelfde vloerplaat van Grauwacke, met langs de rand een gegraveerde schaal van 360 graden. En vier hoge grijze glaspanelen van zes meter, twee aan twee opgehangen in het dwarsschip. Aan de achterzijde grijs geëmailleerd, aan de voorzijde spiegelend. Twee donkergrijs, twee in een lichtere toon. Wie het licht zoekt, krijgt hier het tegendeel aangeboden. Of toch niet helemaal. Richter schreef in 1975 aan Edy de Wilde:

“Grijs. Het heeft eenvoudigweg geen uiting, het roept geen gevoelens of associaties op. En het is beter dan elke andere kleur geschikt om niets te illustreren. Grijs is voor mij de welkome en enige mogelijke correspondentie met onverschilligheid, weigering om een uiting te doen, gebrek aan mening, vormloosheid.” (Gerhard Richter, brief aan Edy de Wilde, 23 februari 1975)

Het is een van die kunstenaarsuitspraken die zichzelf ondergraven zodra je voor het werk staat. Want deze spiegels zijn allesbehalve onverschillig. Alles wat zich tussen de panelen afspeelt wordt in het werk opgenomen: de zwaaiende bol, de roze pilasters, het daglicht dat door de koepel valt, en ik, met mijn zestienduizend stappen en natte jas. Benjamin Buchloh schreef over Acht Grau, een verwant spiegelwerk uit 2002, dat het bijna dwangmatig geworden verlangen om te zien bekritiseert. Precies daar zit de spanning met de Chirico. De Italiaan bouwde een licht dat alles toont en niets verklaart. Richter hangt een grijs op dat niets toont en je daardoor terugwerpt op de enige vraag die telt: wat zie je als je ziet?

De grond beweegt, niet de slinger

Ondertussen zwaait de bol. Léon Foucault toonde in 1851 in het Parijse Panthéon aan dat niet de slinger draait, maar de grond eronder. De zwaartekracht werkt alleen verticaal; wat wij zien als een langzaam wentelend slingervlak is in werkelijkheid de aarde die onder onze voeten wegdraait. In Münster heeft de vloerplaat ongeveer dertig uur nodig voor een volledige omwenteling, op de polen zou het er vierentwintig zijn. Per uur schuift de schaal zowat twaalf graden op. Een elektromagnetische aandrijving onder de plaat houdt de amplitude constant, een Charron-ring bovenaan onderdrukt de elliptische eigenbeweging. De techniek is onzichtbaar, het effect is totaal.

Als bezoeker word je geconfronteerd met een contra-intuïtief feit: je staat nooit stil, ook niet wanneer je denkt stil te staan. De wetenschapshistoricus Michael Hagner merkte op dat het slingerexperiment evenzeer thuishoort in de geschiedenis van de natuurkunde als in die van het publieke optreden van de wetenschap. Foucault maakte de onmerkbare draaiing van de aarde voor het eerst zichtbaar voor een groot publiek, in actu, zonder formules. Anderhalve eeuw later werkt die eenvoud nog steeds. Om mij heen staan mensen minutenlang te kijken naar een bol die niets anders doet dan zwaaien, en die daarmee alles zegt.

Richter voegt aan het experiment geen uitleg toe maar een context. Een foucaultslinger in een technisch museum demonstreert. Dezelfde slinger in een ontwijde barokkerk resoneert. De ruimte is profaan, maar niet neutraal; ze blijft een plaats van reflectie en transcendentie. Tussen de grijze spiegels wordt het natuurkundige experiment een vanitasstuk. De Grauwacke onder de bol is 380 miljoen jaar oud. Mijn spiegelbeeld in het donkergrijze paneel duurt zolang ik ervoor sta. Daartussen zwaait, in een gelijkmatig ritme, de tijd zelf.

Coda: het licht van een bewolkte dag

Wanneer ik de kerk verlaat, is de hemel nog altijd dicht. Geen helder licht van de Chirico, geen Turrell-blauw uit de gewelven van Unna. En toch klopt het. De metafysische schilder bedacht een licht dat nergens bestaat om het raadsel van de wereld zichtbaar te maken. Richter weigert elk licht en elke kleur, en maakt daarmee hetzelfde raadsel voelbaar.

Het is bovendien zondag, en dus denk ik onbewust aan Ida Gerhardt. In haar gedicht Zondagmorgen is het licht zelf de flaneur: het wandelt door de kamers van het huis, beroert wat het onderweg tegenkomt en maakt van het eenvoudigste ontbijt een klein sacrament, tot zelfs het brood op tafel in zon gedrenkt lijkt. Bij Gerhardt hoeft niemand het licht te zoeken; het doet zijn eigen ronde, de mens hoeft alleen maar thuis te zijn. Vandaag bleef die wandelaar weg. Dus nam ik zijn ronde over - uiteindelijk bijna twintigduizend stappen lang - van museumraam naar grijze spiegel, terwijl de aarde onder mijn voeten twaalf graden per uur verder draaide zonder dat ik er iets van merkte.

Morgen rijd ik naar Hamburg, 280 kilometer noordwaarts, richting architectuur en havens. De slinger in Münster zwaait dan gewoon door, boven zijn oeroude steen, tussen zijn vier grijze spiegels die geduldig registreren wie er komt en weer verdwijnt. Misschien is dat wel de meest precieze definitie van reizen die ik deze zomer zal vinden: je verplaatst je, en ondertussen bewijst een bol aan een kabel dat je sowieso al onderweg was.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder