Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Vertrek bij ochtendlicht

Wie het licht zoekt, kan het ook gewoon binnenlaten. Gisteravond liet ik de gordijnen van mijn hotelkamer open, een kleine list tegen de wekker. In juli komt de zon hier vroeg op, en ze deed wat ik van haar verwachtte. Ze wandelde de kamer binnen, beroerde eerst de muur, dan het voeteneinde, dan mij. Sinds Ida Gerhardt weet ik dat het licht zijn eigen ronde doet en dat de mens alleen maar thuis hoeft te zijn. Vanochtend was ik thuis in een hotelbed, en het werkte.

Kwart voor zeven zat ik al aan het ontbijt, vroeg genoeg om voor de rit naar Hamburg nog één keer langs de Aasee te lopen. Daar staat een deel van het geheugen van de Skulptur Projekte in het gras: de drie betonnen biljartballen van Claes Oldenburg, die sinds 1977 wachten op een keu die nooit komt. De twee betonnen ringen van Donald Judd op de helling, die de kromming van het landschap meten. Verderop de houten pier van Jorge Pardo, die het meer in loopt als een zin die halverwege van gedachten verandert.

Claus Oldenburg - Gian Pool Balls

Fotografenlicht

Vroeg ochtendlicht is fotografenlicht, laag en schuin, en het toonde me meer dan ik wilde zien. Iemand had de sculpturen als klankbord gebruikt. Leuzen in slordige verf, alsof een halve eeuw beeldhouwkunst een gratis aanplakbord is, een stilzwijgend nihil obstat dat niemand ooit verleend heeft. Op de ringen van Judd stond, tussen ander gekras, Endstation Sehnsucht.

Donald Judd -Untitled

Ik bleef er langer bij staan dan de vandaal vermoedelijk bij het spuiten. Eerst om de ironie van de plek: uitgerekend op een ring, een vorm zonder begin en zonder einde, kalkt iemand het woord eindhalte. Judds beton weerlegt de leuze nog voor je ze gelezen hebt. Daarna om de ironie van de taal. Wie nihilistische leuzen wil achterlaten en dan Endstation Sehnsucht kiest, citeert zonder het te weten Tennessee Williams, of beter: diens Duitse vertaler, die van A Streetcar Named Desire een eindhalte van het verlangen maakte. En Sehnsucht is geen nihilistisch woord. Het is het meest romantische woord dat de Duitse taal bezit, het woord waarvoor Caspar David Friedrich zijn figuren met de rug naar ons toe zette, starend in nevel en licht. De spuitbus wilde zeggen dat alles hier eindigt. Het woord zelf beweert het omgekeerde: dat er iets is om naar te verlangen, en dat het verderop ligt.

Voor mij lag het inderdaad verderop, 280 kilometer noordwaarts. Ik liep terug naar de auto, langs de ringen waar het vroege licht schuin doorheen viel, en reed de stad uit terwijl Münster nog aan zijn koffie moest beginnen.

Een berg in St. Pauli

Hamburg ontvangt me met havenlucht en een berg. Op het Heiligengeistfeld, geklemd tussen het Millerntor-stadion en het Karoviertel, staat de flakbunker van de Feldstraße, een betonnen kolos van vijfenzeventig bij vijfenzeventig meter. Muren tot bijna vier meter dik, in 1942 door dwangarbeiders opgetrokken in driehonderd dagen. Gebouwd om te schieten op wat door de lucht kwam, en om te schuilen voor wat naar beneden viel. Tijdens de bombardementen zaten hier tot vijfentwintigduizend mensen samengepakt in het donker, terwijl buiten de stad brandde. Wie deze zomer over licht wil schrijven, kan niet om de wetenschap heen dat Hamburg het verschrikkelijkste licht uit zijn geschiedenis net in deze julidagen herdenkt. De vuurstorm van eind juli 1943, drieëntachtig jaar geleden, toen de nacht boven de stad lichter was dan de dag. Er bestaat licht dat niemand zoekt.

Maar het gebouw heeft een tweede leven gekregen, en dat leven groeit. Sinds de zomer van 2024 slingert een beplant bergpad van vijfhonderdzestig meter langs de buitenkant omhoog, naar een publieke daktuin op achtenvijftig meter hoogte. Onderweg passeer je een deel van de bijna vijfduizend bomen, struiken en klimplanten die hier, hoog boven St. Pauli, wortel proberen te schieten in de wind.

Fototropie versus notitieboekje

Ik klim tussen hen omhoog en besef dat zij de eigenlijke professionals zijn van mijn zomerproject. Fototropie noemen biologen het: de eigenschap van planten om naar het licht toe te groeien, langzaam, onverbiddelijk, zonder ooit een dag vrij te nemen. Ik zoek het licht met een auto en een notitieboekje. Een berk op een flakbunker doet het met elke cel die hij heeft. Het gebouw dat ontworpen werd om het donker te organiseren, met een verduisterde stad eromheen, draagt nu een kroon van organismen die maar één richting kennen.

Boven wacht het uitzicht, en aan de rand daarvan, voorbij de kranen, glinstert het gebouw waar deze stad al bijna tien jaar mee pronkt.

"L’architecture est le jeu savant, correct et magnifique des volumes assemblés sous la lumière."

Le Corbusier, Vers une architecture (1923)

Bier met zicht op elfhonderd foto’s

De rest van de dag flaneer ik door de haven, zonder plan, wat de enige correcte manier is. Uiteindelijk beland ik op het terras van Carls Brasserie, een stukje Frankrijk dat men hier, op een steenworp van de ingang, tussen de kraanwerken van de HafenCity heeft neergezet. Ik bestel een bier, geen wijn - dit is tenslotte nog steeds Duitsland - en blijf zitten, langer dan het bier strikt genomen duurt. Vlak boven mijn hoofd begint de golf van glas van de Elbphilharmonie.

Herzog & de Meuron zetten hun glazen golf op de oude Kaispeicher A. Volgend seizoen viert het huis zijn tiende verjaardag. Maar wie er als lichtzoeker naar kijkt, ziet geen concertzaal. Die ziet een camera. De gevel bestaat uit ongeveer elfhonderd glaspanelen, vele ervan gebogen, en elk paneel vangt een ander fragment van hemel en haven: hier een wolk, daar een kraan, verderop een veerboot die traag door het beeld schuift. De hele gevel maakt van ’s ochtends tot ’s avonds foto’s, duizenden per dag, en bewaart er geen enkele. Elk beeld wordt onmiddellijk overschreven door het volgende.

Richter en de Elbphilharmonie

Het is het spiegelmotief van Richter uit Münster, maar naar buiten gekeerd en boven water gehangen. Waar zijn grijze dubbelspiegels in de Dominikanerkirche geduldig registreerden wie kwam en verdween, registreert deze gevel een complete haven, een complete hemel, en laat alles even geduldig weer los.

Veel grijze weerspiegeling in de Elbphilharmonie (rechts)

Fotografie betekent letterlijk schrijven met licht, maar het verschil tussen een fotograaf en deze gevel zit in één woord: fixeren. De fotograaf houdt vast wat de Elbphilharmonie laat gaan. Terwijl ik mijn glas leegdrink, verandert de avond de panelen van kleur en ik denk terug aan de ringen van Judd. Geen eindhalte dus, nergens vandaag. Niet op een ring aan de Aasee, niet op een bunker die een berg werd, niet in een gevel die niets vasthoudt. Het verlangen ligt gewoon telkens iets verderop, en dat is precies waarom ik rijd.

Morgen is er een nieuwe dag, en een nieuw licht.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder