Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Odense is de laatste Deense stad op de route. Niet het eindpunt van de reis, dat blijkt onderweg nog te verschuiven, maar wel de plek waar het Deense hoofdstuk zich sluit. Kunstmuseum Brandts ligt in een voormalige textielfabriek, en die herkomst is nog overal voelbaar. Gietijzeren radiatoren onder hoge industriële ramen, blootliggende leidingen langs het plafond, een gebouw dat zijn werk niet verbergt. Het licht valt er niet uitgekiend naar binnen zoals in Unna, waar Turrell het licht ondergronds temde tot een ritueel. Hier komt het gewoon binnen, ongevraagd, door glas dat al honderd jaar hetzelfde uitzicht filtert, en het legt zich als een rooster over de witte vloer.

Sokkels, een roze stoeltje, een glazen vitrine met een houten sculptuur:. Alles staat in dat rooster te wachten, precies zoals de bezoeker bij de LWL in Münster ooit in stukken werd gesneden door raamsponningen. Veertien afleveringen verder is dat geen toeval meer. Het is het enige motief dat deze hele reeks werkelijk draagt: licht dat een ruimte in stukken snijdt, en een mens die daar toevallig doorheen loopt. Ik heb het H.C. Andersen Huis links laten liggen. Odense is voor mij deze keer geen sprookje, maar een museum met twee kunstenaars die het licht op hun eigen manier ondervragen.

Want voor het eerst op deze reis is het niet een installatie die het licht regisseert. Het zijn twee kunstenaars die het licht ondervragen: de een met olieverf, bijna een eeuw geleden, de ander met een camera, nog springlevend.

Het stilleven dat zweeft

Vilhelm Lundströms Still Life with Jugs (1930-32) hangt op ooghoogte in een van de zalen, en het is het soort schilderij dat je vasthoudt zonder dat je meteen weet waarom. Een witte kruik, een sinaasappel, een tweede kruik op de achtergrond, allemaal drijvend voor een muur van diep ultramarijnblauw. Het bijschrift wijst op iets dat ik zelf had gezien maar niet had kunnen benoemen.

Niet één voorwerp in het schilderij werpt een schaduw op de achtergrond.
- wandtekst, Kunstmuseum Brandts

Het stilleven zweeft vrij in het universum van het doek, gezuiverd, monumentaal, met een kubistische ondertoon. Waarom kunnen we in de ene kruik naar binnen kijken en in de andere niet? Lundström stelde die vraag niet om ons iets te vertellen. Vertellen interesseerde hem niet. Hem ging het om de compositie zelf, om wat een beeld kan dragen zonder ooit een verhaal te worden.

Een schilderij zonder schaduw is een merkwaardige gedachte na dertien afleveringen waarin schaduw juist het bewijs was dat er licht bestond. In Unna sneed het licht van Turrell zich een weg door het duister van een bierkelder. In Aarhus wierp het spectrum van Eliassons regenboogpanorama gekleurde vlekken over de stad. Hier, bij Lundström, is er licht zonder de tegenhanger die het zichtbaar maakt. Het is licht als eigenschap van de verf zelf, niet als iets dat op iets anders valt. Misschien is dat de meest radicale lichtkunst van de hele reis: licht dat geen bewijs meer nodig heeft.

Vilhelm Lundströms - Still Life with Jugs

Licht dat standhoudt

Een verdieping lager, in de zalen gewijd aan Rooms We Made Safe van Michella Bredahl, is er weer wél schaduw, en die is niet decoratief. Bredahl groeide op in een sociale woonwijk aan de rand van Kopenhagen, bij haar alleenstaande moeder en haar jongere zus. In een appartement waar elke kamer zijn eigen felle kleur had: diepblauw, bordeauxrood, bloemmotieven die zich over de muren verspreidden, een palet dat lijnrecht inging tegen het overheersende Scandinavische minimalisme. Toen Bredahl zeven was, gaf haar moeder haar de camera. Samen legden ze hun gedeelde, intieme dagelijks leven vast, tot de twee zusjes op jonge leeftijd geconfronteerd werden met de verslaving van hun moeder.

In Rooms We Made Safe herneemt Bredahl dat terrein van haar jeugd, ooit een gevaarlijke ruimte, en herschept ze het tot een krachtige artistieke uitspraak.

Foto's die aanvoelen als verlengstukken van moeder en zus, soms als zelfportret.
- Michella Bredahl, wandtekst Rooms We Made Safe

Ongemakkelijk intiem

Dat samenvallen van generaties is precies wat de tentoonstelling zo ongemakkelijk intiem maakt. Het is de tegenpool van Lundströms zwevende stilleven. Hier heeft het licht wél een geschiedenis, wél een gewicht. Zeventig foto's en films toont Brandts, in een tentoonstelling die niet hier begon en hier ook niet eindigt. Ze opende in oktober 2025 bij Huis Marseille in Amsterdam en reist na Odense door naar het Museum of National History op Frederiksborg Castle. Ook mijn eigen zoektocht, besef ik, is zo'n reizende tentoonstelling.

Dat is een andere soort licht zoeken dan ik tot nu toe deed in deze reeks. Niet het licht dat een architect ontwerpt of een schilder zuivert, maar het licht dat iemand vasthoudt omdat het de enige manier is om iets te overleven.

Wat nog rest

Odense dwingt tot terugblikken, en dus doe ik dat, kort, voor de auto morgen weer vertrekt. Unna, waar ik voor het eerst ondergronds ging om licht te vinden en Turrell, Kosuth en Van Munster er allemaal een andere taal voor spraken. Münster, waar Gerhard Richters grijze spiegels in de Dominikanerkirche licht lieten kantelen tussen twee vlakken die precies genoeg van elkaar verschilden. Hamburg, de Groene Bunker en de glazen golf van de Elbphilharmonie. NordArt in Carlshütte, waar licht zich verspreidde over een oud gieterijterrein. Fjordenhus in Vejle, wit en rond boven het water. Aarhus, waar Turrells As Seen Below je onder een cirkel van hemel liet zitten en Eliassons regenboog de hele stad in kleur liet zien.

En nu Odense, waar het licht voor het eerst geen enkele installatie meer nodig had, alleen een blauw doek en een archief vol pijn. Veertien afleveringen verder is de vraag niet meer wat licht is. De vraag is wat het met ons doet als we het lang genoeg zoeken: op een gegeven moment hou je op met kijken en begin je erin te wonen, zoals ik ooit bij Vervoordt in Wijnegem besefte, jaren voor deze reis begon.

Maar de cirkel is nog niet rond. De route naar huis loopt toch nog langs Duisburg, waar Anish Kapoor en Jaume Plensa op dit moment tentoonstellen, nog geen honderd kilometer van Unna waar dit allemaal begon. Odense sluit het Deense hoofdstuk af, met een zaal zonder schaduw en een zaal vol schaduw die desondanks licht draagt. Wat de cirkel echt sluit, komt nog.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder