Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Wat haring op een ontbijtbuffet voorspelt

Wie bevestigt het voor je, als er niemand naast of over je zit? Het buffet is zoals steeds overvloedig. Maar het is de extra schaal die meteen opvalt: zalm, gerookte en andere soorten haring. Alsof de vis alleen al een hele kaart van de Noordzee uitrolt. Ertussenin, in kleinere kommen, ligt de haring in stukjes klaar om opgeschept te worden. Het beeld dringt zich op voor ik het kan tegenhouden: verf op een palet. Geel, doortrokken van curry. Rood, aangezet met rode biet. Groen, gespikkeld met dille, fijn als korrelig licht op water. Geen drieluik dit keer. Eerder een mengpalet dat wacht tot iemand de kwast erin zet.

Ik besef dat ik de hele reis al onbewust naar dit soort toevalstreffers zoek. Plekken waar kleur zich aandient voor ik erom vraag. Misschien is dat de eigenlijke discipline van een flaneur: niet het zoeken zelf, maar het herkennen van het moment waarop iets zich al heeft aangediend voor je het doorhad.

De vier schilderijen die Kiefer vormden

Naast mijn bord ligt een boek. Knausgårds Het bos en de rivier, over Anselm Kiefer. Ik lees verder waar ik gisteren stopte. Het gesprek waarin Kiefer terugdenkt aan zijn vader, die vroeger schilderijen kopieerde. Een Bruegel. Een Pinturicchio. Een houtsnede van Masereel. Vier werken maar hingen er thuis, meer niet. Toch was dat kennelijk genoeg. Genoeg om ergens een idee te planten dat pas jaren later een naam kreeg.

Ik denk aan de schalen op het buffet. Aan het eetbare kleurenpalet. En aan die vier schilderijen aan een muur ergens aan de Rijn. Niemand die het beaamt, niemand die het tegenspreekt. Het antwoord op mijn eigen vraag vormt zich hier, alleen, met een lepel haring in de hand. Vier schilderijen zijn genoeg om een leven richting te geven. Drie kommen haring zijn genoeg om datzelfde met een ochtend te doen. De schaal van de aanleiding staat blijkbaar los van de schaal van het gevolg.

Waarom niets doen hier anders voelt

Ik laat de gedachte nog even sudderen. Ze is nog niet af. Verf op een palet is namelijk nooit het schilderij zelf. Het is de belofte ervan, het moment vlak voor de keuze. Iedere ochtend hier begint zo: met iets dat nog alle kanten op kan. De haring in de kommen wacht op een lepel. Het licht buiten wacht op wolken die al dan niet optrekken. Ik wacht op niets in het bijzonder. Op zichzelf al een zeldzame toestand.

Alleenreizen vult die tussentijd niet anders, besef ik nu ik het opschrijf. De gedachte is thuis dezelfde. Ze wordt daar alleen overstemd. Door de rush van de dag, door de eerste mail, door het tempo dat al begint voor je goed en wel wakker bent. Hier is er niets dat overstemt. Ik schep haring. Lees een bladzijde. Ik denk aan een vader die kopieerde en een zoon die daardoor kunstenaar werd, zonder dat er ooit een plan voor was. Niemand corrigeert die gedachte. Niemand vult ze aan. Maar ook thuis zou niemand dat doen. Het verschil zit niet in de gedachte. Het zit in de ruimte die ze krijgt. Een gedachte die ruimte krijgt, groeit anders dan een gedachte die wordt weggeduwd door de volgende afspraak.

Wist jij het al op je vijfde?

Er zit iets in Kiefers antwoord dat blijft haken. Hij wist al toen hij vijf was dat hij kunstenaar wilde worden, zegt hij. Zonder verder uit te leggen hoe. Alsof een roeping zich niet laat herleiden tot een moment. Alleen tot een gevoel van vroeg al ergens naartoe bewegen. Ik denk aan mezelf op vijfjarige leeftijd. Ik kom niet verder dan vage kleuren, misschien een potlood, misschien niets. Toch maakt dat niet uit. Wat blijft hangen is de vraag zelf. Niet als vergelijking met Kiefer, maar als iets dat de ochtend een richting geeft voor ik goed en wel de deur uit ben. Waar kwam het vandaan, dat wat je nu doet? Herken je het moment waarop het begon? Of is het net als deze schalen, allang gemengd voor je er erg in hebt?

Buiten is het merkelijk kouder dan gisteren. Tien graden verschil is geen kleinigheid. Maar de kou hoort er misschien bij, vandaag. Een palet werkt namelijk beter als de verf niet te snel droogt.

Waarom Kiefer zwijgt over zijn werk

Verderop in het boek lees ik dat Kiefer, zoals de meeste kunstenaars, niet graag praat over wat zijn werk betekent. Logisch eigenlijk. Een schilderij of een sculptuur zegt iets dat woorden niet kunnen vatten. Dat is net de essentie ervan. Ik denk aan mijn eigen gewoonte om alles alsnog in taal te vangen, hier, nu, op dit blad. Misschien is dat een tegenstelling. Misschien ook niet. Een tekst kan evengoed rond een stilte heen geschreven worden zonder haar op te vullen.

Ik sluit het boek. Buiten is de lucht nog altijd even grijs als Kiefers loden werken, alsof het weer heeft meegelezen. Het regent nog steeds. Ergens wacht Hamburg, met zijn Deichtorhallen en licht dat ik nog niet gezien heb. Toch aarzel ik. Niet uit onwil. Eerder omdat het boek me nog even vasthoudt, omdat de laatste bladzijde altijd een korte nasleep verdient voor je de volgende ruimte binnenstapt.

Dan sta ik op. Tijd om zelf te gaan kijken, in plaats van te lezen over wie kijkt.

Ruïnes als begin

Er is iets dat ik in het boek was tegengekomen en dat ik pas nu, buiten, goed laat doordringen. Kiefer heeft het ooit zo geformuleerd: een ruïne is voor hem geen eindpunt maar een begin. Uit de restanten kun je nieuwe ideeën opbouwen.

Ik denk meteen terug aan de Wanderer uit deel vier. Friedrich zette zijn figuur niet op een grasveld of een plein, maar op een rotspunt, tussen de mist, met onder hem een landschap dat evengoed door een ramp getekend kon zijn als door de tijd zelf gevormd.

De Rückenfigur kijkt niet naar iets voltooids. Hij kijkt naar iets onafs, iets dat zich nog moet vormen uit nevel en steen. Bij Kiefer is dat besef explicieter gemaakt: zijn werk bestaat vaak letterlijk uit as, lood, stro, verkoolde aarde, materialen die al door iets heen zijn gegaan voor ze kunst worden.

Bij Friedrich blijft het romantischer, meer gesuggereerd dan getoond. Maar de onderliggende gedachte is verwant. Beide kunstenaars plaatsen de mens niet tegenover een voltooid landschap, maar tegenover een landschap dat nog altijd bezig is zichzelf te maken en te ontmaken.

Dat raakt ook aan iets persoonlijkers vandaag. Ik ben snel doorheen de Triënnale gelopen. De flaneur deed zijn geuzennaam oneer aan. Ik heb daar, in zekere zin, mijn eigen kleine ruïne gecreëerd: een plan dat niet werd uitgevoerd, een dag die anders liep dan voorzien. Maar misschien is dat, in Kiefers logica, ook precies een beginpunt. Niet van een nieuw kunstwerk, daar ben ik te bescheiden voor, maar van een ander soort dag. Een dag waarin het niet gaan naar een tentoonstelling evenveel over het licht vertelt als het wel gaan. De puinhoop van een verwachting die niet uitkwam, is ook materiaal.

Te veel om te dragen

Ik was immers vandaag van plan naar de hoofdtentoonstelling van de Triennale te gaan, Alliance, Infinity, Love, in de Halle für aktuelle Kunst. De door Mark Sealy samengestelde tentoonstelling brengt rond dertig kunstenaars samen uit fotografie, video en film, van Australië en Japan tot Libanon, Palestina, Brazilië en Groenland, met werk dat draait om identiteit, bevrijding, gemeenschap en de kracht van liefde. Op papier precies iets voor mij. In de praktijk haakte ik af voor de deur. Te veel beelden, te veel stemmen die tegelijk om aandacht vragen, en ik had vandaag simpelweg niet de moed en aandacht die nodig is om dertig kunstenaarschappen naast elkaar te verdragen.

Soms is de juiste reactie op een overvloed aan prikkels geen doorzetten, maar terugkeren naar de hotelkamer, naar een bed, naar niets moeten. Vandaag draai ik zelf mijn rug naar het verhevene toe. Geen tentoonstellingszaal, alleen het gewone, ongeprogrammeerde licht van een hotelkamer op een regenachtige middag. Geen gezocht of gefilterd licht van een installatie. Afgewend licht, zou ik het willen noemen, het licht dat overblijft wanneer je jezelf niet naar het beeld toe beweegt maar ervan weg.

Afgewend licht oogt minder spectaculair dan alle andere vormen in deze reeks. Maar niet minder waar. En misschien is ook dit een ruïne in Kiefers zin: een dag die niet werd wat hij moest worden, en die daardoor precies de ruimte vrijmaakt om iets anders te worden. Puin als aanvangspunt, ook wanneer het puin niets meer is dan een gebruikt toegangsticket en een blik op het plafond.

Morgen laat ik Duitsland achter mij en trek de Deense grens over. Hieronder een overzicht van de verschillende impressies die me gezelschap hielden:


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder