Twee weken geleden vroeg ik waarom ze verdomme niet kopen. Het werd een van de meest gelezen stukken van dit jaar. Daarna vroeg ik waarom ze verdomme niet verkopen. Ook dat werd gelezen. Honderden keren. Het aantal reacties onder het eerste stuk? Drie.

Eén lezer legde uit dat alle informatie in het heelal tweedimensionaal wordt opgeslagen voorbij de waarnemingshorizon van een zwart gat. Een andere vond goede informatie over kunst altijd welkom. Eén lezer overwoog zich een oor af te snijden.

Ik ben hen dankbaar. Echt. Zij hebben tenminste iets gezegd. De rest las, knikte misschien, en scrolde verder.

Gelezen worden is iets anders dan antwoord krijgen

De statistieken zijn mild voor een schrijver. Ze tellen bezoekers, leestijd, klikken, doorverwijzingen. Vertellen me dat er gelezen wordt. Ze vertellen me niet wat er gedacht wordt.

Op LinkedIn verschijnen duimpjes. Op Instagram hartjes. Af en toe een applaudisserend handje, het digitale equivalent van een beleefd knikje op een receptie. Niemand is het oneens. Niemand is het eens. Iedereen is vooral even langs geweest.

Het is de vernissage opnieuw. Er wordt gekeken. Er wordt geliket. En maandag gaat iedereen weer aan het werk.

De tekst blijft verweesd achter.

Ze zeggen het wel, maar niet hier

Het merkwaardige is dat de reacties wel bestaan. Ik hoor ze alleen op de verkeerde plaats.

Op een opening tikt iemand me op de schouder. Ik heb je stuk gelezen. Je hebt helemaal gelijk. Een galerist stuurt een privébericht: Goed geschreven, maar dat kan ik natuurlijk niet publiek zeggen. Een kunstenaar fluistert aan de bar dat ik eigenlijk nog veel harder had mogen zijn. Over anderen, uiteraard.

Kritiek in de kunstwereld circuleert zoals roddel. Mondeling, vertrouwelijk, met een hand voor de mond. Wie publiek reageert, neemt een positie in. En een positie is gevaarlijk in een wereld waar je morgen bij diezelfde galerie wil exposeren, bij diezelfde curator op de lijst wil staan, of naast diezelfde verzamelaar aan tafel zit.

Iedereen heeft een mening. Niemand wil ze onder zijn eigen naam.

De kunstenaar deelt alleen het compliment

Wanneer ik over een tentoonstelling schrijf, volgt vaak één reactie. De kunstenaar deelt het stuk. Dank je voor de mooie woorden. Drie hartjes van zijn vrienden. Klaar.

Schrijf ik iets kritisch, dan volgt niets. Geen weerwoord, geen correctie, geen je hebt het verkeerd begrepen. Stilte. Soms een vermoeden dat ik op de volgende vernissage niet meer uitgenodigd word.

Dat is jammer. Want een kunstenaar die terugschrijft, leert mij iets. Misschien heb ik zijn werk inderdaad verkeerd gelezen. Zag ik een citaat waar er een toeval was. Misschien heeft hij een betere zin dan ik. Ik zou die zin graag lezen.

Kritiek is geen vonnis. Het is een openingszet. Wie niet terugspeelt, laat het schaakbord gewoon staan.

Ooit was kritiek een gesprek

Diderot schreef zijn Salons als brieven aan een vriend. Hij liep door de tentoonstelling, maakte ruzie met schilderijen, sprak hen aan, liet hen terugpraten. Baudelaire vond dat kritiek partijdig moest zijn, hartstochtelijk, politique. Niet omdat hij graag gelijk had, maar omdat iemand anders hem dan ongelijk kon geven.

Kritiek leefde van tegenspraak. In kranten verschenen lezersbrieven. In tijdschriften repliceerden kunstenaars, en critici repliceerden op de replieken. Soms werd het vuil. Soms belachelijk. Maar er werd gesproken.

Vandaag hebben we meer kanalen dan ooit om te reageren. En we gebruiken ze om een duim te geven.

En ik dan?

Ook hier moet ik eerlijk zijn. Wanneer heb ik voor het laatst publiek gereageerd op een andere criticus? Op een collega die volgens mij een tentoonstelling overschatte? Op een recensie waarmee ik het hartgrondig oneens was?

Ik weet het niet meer. Misschien heb ik het alleen gedacht. Of het misschien aan tafel gezegd. Ik heb het misschien aan iemand doorgestuurd met een veelbetekenend emoji.

Ik ben dus ook de lezer van mijn eigen stukken, lees en vind er niets van. En ik zwijg.

Dus waarom reageren ze verdomme niet?

Misschien omdat stilte veiliger is dan een mening. Omdat de kunstwereld klein is en het geheugen lang. Omdat een duimpje niets kost en een zin wel. Of omdat we gewend zijn geraakt aan kijken zonder kopen, lezen zonder antwoorden, en aanwezig zijn zonder iets te zeggen.

En misschien omdat de kunstwereld een derde merkwaardige afspraak met zichzelf heeft gemaakt: iedereen mag kritiek hebben, zolang niemand ze hoort.

Maar kritiek zonder antwoord is geen kritiek. Het is een monoloog. En een monoloog, dat weet iedere theatermaker, werkt alleen wanneer er iemand in de zaal zit die durft te hoesten.

Dus hoest. Spreek me tegen. Verbeter me. Zeg dat ik overdrijf, dat ik onrechtvaardig ben, dat ik het al jaren mis heb.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.