Curator Sam Steverlynck kreeg carte blanche in een Antwerps herenhuis uit 1912 en bracht er elf kunstenaars samen rond de Jardin d’hiver, die vriendelijke uitvinding waarmee de burgerij de tropen in huis haalde zonder er zelf heen te moeten. Hij leende de titel bij Marcel Broodthaers, die in 1974 al wist dat een palm in een pot nooit onschuldig is. Wat volgt is geen verslag en nog minder een oordeel. Het is een wandeling door een huis waarin de natuur overal aanwezig is en nergens vrij rondloopt. Ik heb er mijn jas aangehouden. Men weet maar nooit met serres.

Een zwembad in de traphal

Wie aan de Jan Van Rijswijcklaan nummer 112 binnenstapt, loopt een huis in dat werd gebouwd om indruk te maken en dat sindsdien nooit meer heeft afgeleerd. Lambriseringen in donker hout, een trap die zich met smeedijzeren krullen naar boven slingert. Daarboven een glaskoepel met bladmotieven waar het licht doorheen valt alsof het eerst zijn voeten heeft geveegd. Het is het soort interieur waarin de natuur altijd al welkom was, op voorwaarde dat ze ornament bleef en niet ging groeien.

Nadia Guerroui heeft die traphal onder water gezet. Geen druppel te bespeuren, uiteraard, alleen licht: drie projecties, spiegelfolie en glas die de wanden in een droomachtig blauw dompelen, met op de overloop het rimpelende tegelpatroon van een zwembadbodem. Boven mijn hoofd gloeit de koepel honinggeel, onder mij ligt het parket, en daartussen sta ik te watertrappelen in een beeld. Wherever you are, you are you heet het werk, wat klinkt als een troost en bij nader inzien een waarschuwing is. De wintertuin haalde de zomer naar binnen zonder de muggen, Guerroui haalt het zwembad naar binnen zonder het chloor. Ze doet precies wat dit huis al een eeuw doet, alleen geeft zij het toe.

Het paradijs heeft een cadeauwinkel

In het salon beneden hangt, naast een schouw met vergulde krullen, het grondplan van een serre die niet bestaat. Wesley Meuris tekende zijn Greenhouse of the Royal Botanical Garden wit op zwart, met de ernst van een architect en de boosaardigheid van een satiricus. De legende vermeldt een ticketcontrole, een directeurskantoor, een EHBO-post en een gift shop. De begeleidende tekst waarschuwt dat picknicken in de tuin niet is toegestaan. Zelden zag ik het Verlichtingsideaal zo bondig samengevat: eerst ordenen, dan begrijpen, dan beheersen, en bij de uitgang een souvenir. De botanische tuin was de staalkaart van de kolonie, uitgestald in een tempel van glas en ijzer. Meuris voegt er alleen de bewegwijzering aan toe.

Aan de overkant hangt zijn nieuwe Wooly Pipevine, een donkergroen paneel waarover witte latten een rooster trekken dat halverwege het geloof in zichzelf verliest en in diagonalen uitwaaiert. Het lijkt een klimrek zonder klimmer, een keurslijf dat geduldig op beplanting wacht. Dat het werk de naam van een slingerplant draagt, maakt de afwezigheid alleen maar luider.

Bruno V. Roels zet daar honderd palmbomen tegenover, analoog afgedrukt in een strak raster, van bleek sepia bovenaan tot bijna zwart onderaan, alsof het paradijs eerst wordt overbelicht en daarna dichtslibt. Honderd keer hetzelfde symbool, honderd keer net anders. Hoe vaker je een woord herhaalt, hoe minder het betekent, en hoe duidelijker je ziet wat de palm altijd al was: een logo voor elders. Zijn keramiektegel in de doorgang, een leeuw onder een palm met het woord Paraíso eronder, ziet eruit als het uithangbord van een pension dat zijn belofte nooit heeft waargemaakt. Vlakbij heeft Lucian Moriyama brokken leisteen met varenafdrukken aaneengelegd en er een vierkantje malachiet in gezet. Het zijn de oudste kamerplanten van het huis, al driehonderd miljoen jaar zonder water en nog altijd in vorm.

Brons dat doet alsof het groeit

De achterkamer kijkt uit op een echte tuin, en dat is geen overdrijving. Voor het raam staat Paradiso IV van Filip Vervaet: bronzen afgietsels van bladeren uit de Plantentuin van Meise, tot een onmogelijke plant geassembleerd, met daarnaast een glasplaat die bekleed is met het soort folie waarmee men elders auto's pimpt. Wie eromheen loopt, ziet het groen buiten verkleuren naar een blauw dat geen enkel seizoen kent. Het gebladerte achter het raam, het enige in dit huis dat werkelijk leeft, lijkt plots de minst geloofwaardige speler in de kamer.

Aan de wand hangen twee kleine reliëfs achter gekleurd glas, Panorama en La Riviera, boterbloemgeel en zwembadblauw. Boven wacht nog een derde, Capri, in het roze van een cocktail die je alleen op vakantie bestelt. Bestemmingen als kleurstalen. Vervaet weet dat het verlangen naar het Zuiden zelden verder reikt dan de tint, en dat we die tint bij thuiskomst het liefst achter glas bewaren.

Paradiso IV van Filip Vervaet

Een salon vol getemde dieren

Op de eerste verdieping kijken de katachtigen van Iasonas Kampanis je aan met ogen die uit een oud mozaïek lijken ontsnapt. De rode TZAFA met haar groene wimpers, het tweeluik TORAS met zijn oranje grijns en keurig rijtje tanden: het zijn beschermgeesten, geënt op mediterrane mythen, en het tweeluik verwijst naar Lethe en Mnemosyne, de rivier van het vergeten en die van de herinnering. Een passender wachtpost kan ik voor dit huis niet bedenken.

En midden op het parket staat, met de vanzelfsprekendheid van een vergeten verhuisdoos, de Chiquita van Oriol Vilanova. Een bananendoos, tot de rand gevuld met postkaarten die zo dicht bij elkaar gedrukt werden dat je er geen enkele kunt bekijken. Duizend vergezichten, en geen ervan te zien. Het is het geestigste en het wreedste werk van de tentoonstelling: het exotisme teruggebracht tot karton, oorsprong Vossenplein.

Meuris zet in dezelfde kamer zijn Garden Settings neer, een betegelde sokkel waaruit rollen kunstgras, een plastic palmtak en een fluogroen lint steken. De plant als meubilair, de natuur als afdeling van het tuincentrum.

Che Go Eun bekleedt de wand bij het raam met behang waarvan de ranken geboren zijn uit haar dagboeknotities, door een machine vertaald naar art nouveau, nadat ze diezelfde machine eerst de Koreaanse Dancheong had bijgebracht. Een algoritme dat leert krullen zoals Horta: de Style Congo heeft er een verre nicht bij.

Reizen zonder te vertrekken

Aan de straatkant, waar de bomen van de laan door de hoge ramen naar binnen lijken te leunen, staat de maquette van Mira Sanders op een tekentafel. The Journey is een papieren stad vol koetsen, zeilschepen, een olifant, een luchtballon en een vliegtuig, zwart-wit en met een flinke scheut Jules Verne. De studies uit 2009 aan de wand delen de reiziger op in soorten: de pelgrim, de romanticus, de etnograaf, de toerist (of is het een flaneur?). Ik herken mezelf in alle vier, het hangt af van het uur en van wie er meeluistert.

Mira Sanders, The Journey, 2026
Mira Sanders, The Journey, 2026

Maya de Mondragon hangt er een wolk aquarellen tegenover waarin sterren gezichten krijgen en handen ogen, in blauw, mosgroen en een violet dat uitvloeit zoals alleen water dat kan beslissen. Lichaamsdelen verschijnen en lossen weer op. Het is het enige moment waarop de tentoonstelling de teugels viert. Hier wordt niets getemd, hier mag de verf weglopen, en dat lucht op.

En dan, boven de rode marmeren schouw, de trompe-l'œil van Lucian Moriyama, waarbij hij gebruik maakt van scagliola, het valse marmer waarmee wereldtentoonstellingen en justitiepaleizen hun grandeur betaalbaar hielden, met daarin een oude prentkaart van een tempel. Gips dat marmer speelt, boven marmer dat schouw speelt, in een huis dat de achttiende eeuw speelt. Tussen de twee ramen hangt zijn Factory #1, een fabriekje met schoorsteen, ingelegd in dezelfde namaaksteen en bezet met halfedelstenen. Zo eerlijk is het materiaal dan weer wel: het toont wie de palmen heeft bekostigd.

Paradise regained

Wie naar buiten wil, moet opnieuw de trap af, en dus opnieuw door het blauw. Pas bij het afdalen merk ik hoe goed het huis en de tentoonstelling elkaar verdragen. Nergens een wand die werd weggewerkt, nergens een schouw die moest zwijgen. De palmen van Roels hangen naast het marmer alsof ze in 1912 al bij de inboedel hoorden, en misschien is dat het ongemakkelijkste compliment dat je deze werken kunt geven: ze passen. Broodthaers had in 1974 nog potten, klapstoeltjes en prenten nodig om een wintertuin op te roepen. Steverlynck hoefde alleen de deur open te zetten.

Op de laan kijk ik nog één keer om. Ergens achter die gevel rimpelt het zwembad verder, blauw en onbeweeglijk, zonder één zwemmer. Zo ziet een paradijs er op zijn best uit: leeg.

Un Jardin d'Hiver, tot 28 november 2026, GNYP Gallery, Jan Van Rijswijcklaan 112, 2018 Antwerpen.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder