Deze zomer rijd ik twee weken door Duitsland, Denemarken en Nederland met één opdracht die ik mezelf gaf: het licht zoeken. Niet het licht van de zonnebrandcrème en de terrasjes, maar het licht dat kunstenaars al eeuwen proberen te vangen, te buigen, te bouwen. Het idee ontstond in Wijnegem, waar ik bij Axel Vervoordt voor de zoveelste keer in een werk van James Turrell zat en besefte dat ik niet meer naar licht keek, maar erin woonde. Deze reeks is het verslag van die zoektocht, van een ondergrondse bierkelder in Unna tot het noorderlicht van de Deense kust en terug. Elke aflevering staat op zichzelf; samen vormen ze één vraag: wat zoeken we eigenlijk, als we het licht zoeken?

Ik kom aan met de trein in Humlebæk-station, een steenworp van de zee en nog een korte wandeling van het museum. Na de beeldenstraat van het SMK, waar het licht van niemand in het bijzonder was en dus van iedereen, kom ik in Louisiana terecht, waar twee tentoonstellingen tegelijk lopen die -voor mij- allebei over kijken gaan: Lucian Freuds Everything is a portrait en Sophie Calles Something Missing?. Freud wilde de omringende realiteit in één portret persen. Calle wil vooral weten wat er ontbreekt, in meer dan driehonderd foto's, teksten en video's verspreid over zeven grote reeksen, die samen bijna veertig jaar werk beslaan.

Aanschurken tegen de Sont

Louisiana ligt niet zozeer in Humlebæk als wél tégen de Øresund aan. Toen oprichter Knud W. Jensen het terrein in 1955 overnam, zag hij aanvankelijk enkel de oude villa voor zich, met een apart paviljoen op de rand van de klif die uitkijkt over de Sont. Pas in samenwerking met de architecten Jørgen Bo en Vilhelm Wohlert groeide het geheel uit tot een complex van gangen en paviljoens die je als een overdekte wandeling door het park leiden, nooit ver van het water.

De bouw begon in 1956, het museum opende in 1958, en sindsdien is Louisiana in zeven fasen uitgebreid, telkens door dezelfde architecten of hun opvolgers, telkens met dezelfde regel: het gebouw schikt zich naar het terrein, de bomen en de gazons, nooit omgekeerd.

De West Wing, waar Calle nu hangt, dateert uit 1966 en 1971, twee bouwlagen die het museum destijds nodig had om zijn eigen succes bij te benen. Overal in het complex zorgen lange witgekalkte muren en grote glaspartijen voor wat de architecten zelf een architecturale lichtheid noemden: een gebouw dat zich naar de omgeving opent in plaats van zich ervan af te sluiten, met invloeden uit zowel de Bay Area als de Japanse bouwtraditie.

Alles is thuis

De Franse architect Jean Nouvel vatte het decennia later kernachtig samen: Elk ding wordt hier rechtstreeks gevoeld, en alles is thuis.

Dat is precies wat ik voel wanneer ik van de ene zaal naar de andere loop: nooit lang zonder uitzicht op water, nooit een gang die alleen maar gang is. Onderweg naar de West Wing passeer ik twee van Alexander Calders mobiles, rood en geel tegen een wolkenlucht, en verderop een bronzen liggend beeld van Henry Moore, boven op een helling met de Sont als achtergrond.

De beeldentuin functioneert als een soort voorportaal, waar je al wordt voorbereid op kijken voor je binnen bent. Het is een vreemde plek om net dáár, tussen al dat licht en die openheid, een kunstwerk tegen te komen waarin het licht zelf van geen enkel belang is.

Zeven reeksen over aan- en afwezigheid

Something Missing? toont Calle op haar breedst. De reeks Because verbergt foto's achter gordijnen, met geborduurde teksten die de aanleiding van elke opname onthullen. Picassos in lockdown ontstond toen het Musée Picasso in Parijs haar uitnodigde voor de vijftigste verjaardag van het overlijden van de kunstenaar en vervolgens zelf moest sluiten door de pandemie. Calle fotografeerde de ingepakte schilderijen die overbleven als een soort spookaanwezigheid. On the Hunt verzamelt anderhalve eeuw aan verlangens uit het eenzame-hartenbureau, gekoppeld aan nachtfoto's van dieren voor jachthutten. What do you see? vertrekt van de lege lijsten die achterbleven na de kunstroof in het Isabella Stewart Gardner Museum in 1990, en vraagt bezoekers wat zij zien in een omlijsting waar niets meer hangt.

Twee reeksen in de tentoonstelling delen exact hetzelfde uitgangspunt: iemand die iets nog nooit heeft gezien. In Voir la mer filmde Calle de blik van inwoners van Istanboel die, hoewel ze in een stad aan zee woonden, de zee zelf nog nooit hadden gezien. In The Blind uit 1986 het vroegste werk van de hele tentoonstelling, zocht ze mensen op die blind geboren waren, die dus nooit iets hadden gezien, en vroeg hun wat hun beeld van schoonheid was.

Wat zij nooit zagen ...

The Blind is het beklijvendst van de twee 'nooit gezien'-reeksen. Het resultaat hangt in drieluiken: een zwart-witportret van de geïnterviewde, een getypte tekst met hun antwoord, en daarnaast een beeld dat concreet maakt wat ze beschreven, alsof Calle voor hen inlost wat zij zelf nooit kunnen verifiëren.

Bij het eerste drieluik dat me raakt, vertelt een jonge man over een naïef geschilderd haventafereel dat zijn schoonbroer hem ooit gaf: een boot, met opgelegde verf zodat hij 's avonds met zijn vingers de masten en het grootzeil kan aftasten. Hij had nog nooit een boot gezien, zelfs niet op een schilderij. Op woensdag luistert hij naar tv-programma's over de zee terwijl hij naar het schilderij kijkt, en wat men hem over die zee vertelde, blijft hem intrigeren: blauw en groen, en zo fel wanneer de zon erop weerkaatst dat het pijn moet doen om te bekijken.

... en toch wel wisten

Bij een ander drieluik beschrijft een man een droom waarin hij zijn zoon zag, tien jaar oud, in pyjama. De jongen liep glimlachend naar hem toe. In die droom, zegt de vader, vond hij zijn zoon heel mooi. Het is het enige beeld van schoonheid in de hele reeks dat niet over kleur of vorm gaat, maar over een blik die wél kon gebeuren, al was het alleen tijdens de slaap.

Wat blijft hangen is niet het antwoord zelf, maar de opdracht die eraan voorafging. Iemand vragen naar zijn beeld van schoonheid veronderstelt normaal een geheugen van gezien hebben, een archief van eerder licht. Bij wie nooit heeft gezien, bestaat dat archief niet. Wat er dan ontstaat, is geen herinnering maar een constructie: een beeld opgebouwd uit aanraking, geluid, geur, en de taal van anderen over wat mooi zou moeten zijn.

Bij Voir la mer bestaat er tenminste een moment waarop het zien alsnog gebeurt, voor de camera, eenmalig en definitief. Bij wie blind geboren is, komt dat moment nooit. Wat overblijft is alleen de voorstelling, opgebouwd uit taal, aanraking, een droom, en wat anderen erover vertelden. De beelden zijn er niet minder sterk om en ik besef dat ik de beelden voor een tweede maal bekijk om de reactie van de inwoners te laten doordringen.

Een gordijn dat een reden onthult

De prijs voor de leukste reeks is ongetwijfeld voor Because, de reeks die de tentoonstelling opent. Ze toont foto's verborgen achter dikke, gekleurde vilten gordijnen, met een geborduurde tekst die de aanleiding van elke opname verklapt in plaats van het beeld zelf. Bij een van de rode gordijnen lees ik een zin die om een naam vraagt die nooit gegeven wordt: het gaat over ongelukkige dorpelingen, en over Calle's eigen verwondering hoe die mensen heten. De foto erachter blijft verborgen, tenzij je het gordijn zelf opzij duwt. Het is het spiegelbeeld van The Blind: daar ontbreekt het zicht bij de geïnterviewde, hier ontbreekt het zicht bij mij, de bezoeker, tot ik zelf de moeite doe om te kijken. Ik merk menig glimlacht tijdens het opzijschuiven van de gordijntjes. Kunst hoeft niet altijd even serieus te zijn.

Lucian Freud: alles is portret

Een paar zalen verder hangt de tegenpool: Lucian Freud, Everything is a portrait, een tentoonstelling die de National Portrait Gallery in Londen samen met Louisiana opzette, onder curator Anders Kold. Het is de derde keer dat Louisiana Freud toont, na schilderijen in 2007 en prints in 2015. Ditmaal ligt de nadruk op tekenen als vertrekpunt, van zijn vroegste bladen tot het werk dat hij vlak voor zijn dood in 2011 nog maakte.

Alles is autobiografisch en alles is een portret, zelfs als het maar een stoel is.

Freud hield zich zijn hele leven aan die stelregel. Zijn modellen waren altijd mensen die hij kende, zijn decor bijna altijd zijn eigen atelier: een bed, een leunstoel, een kale plankenvloer die op bijna elk doek terugkeert. De tentoonstelling toont hoe letterlijk hij die intensivering nam. Sessies liepen uit tot honderden uren; modellen werden tot het uiterste van hun uithoudingsvermogen gedreven. De titels helpen niet, die verklappen zelden wie er eigenlijk poseert.

De laatste zaal is de hardste: daar hangen de portretten van zijn verouderende moeder en van hemzelf op hoge leeftijd, zonder enige idealisering, alles blootgelegd. Waar Calle het ontbreken van het zicht bevraagt, drijft Freud het zicht juist tot het uiterste: dichterbij komen, blijven kijken, tot er iets loskomt dat het model zelf niet kon tonen. Naast Calle's blinden voelt die obsessieve blik van Freud bijna een luxe: hij kon tenminste kiezen om weg te kijken, en deed dat nooit.

Kijktip: Louisiana Channel
Wie na dit stuk meer over Sophie Calle wil horen in haar eigen woorden kan terecht op Louisiana Channel. Het kanaal brengt wekelijks nieuwe gesprekken met kunstenaars. Telkens dicht op de huid gefilmd: een mooie aanvulling op elk museumbezoek, en op deze reeks.

Louisiana is meer dan alleen maar de tijdelijke tentoonstellingen. Wie wil kan zich hier een hele dag vergapen aan de kunstcanon.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder