Vorig jaar heb ik opnieuw schromelijk gefaald als kunstflaneur. Ik was niet overal. Ik heb openingen gemist, finissages genegeerd, tentoonstellingen laten lopen waarvan ik later hoorde dat ze “echt wel de moeite” waren. Ik was niet aanwezig bij dat ene moment waarop iedereen tegelijk besliste dat iets belangrijk was.
Mijn agenda was nochtans bereidwillig. De uitnodigingen stroomden binnen met de gebruikelijke ernst: don’t miss, last chance, niet te missen, once in a lifetime. Het soort taal dat suggereert dat wie niet komt, niet alleen kunst mist, maar ook moreel tekortschiet. Wie afwezig is, bestaat niet. Of erger: wie niet gezien wordt, heeft niet gekeken.
De kunstwereld is tegenwoordig een oefening in gelijktijdigheid. Alles gebeurt nu. Overal. Tegelijk. Elke tentoonstelling is een hoogtepunt, elke kunstenaar een ontdekking, elke opening een moment dat je eigenlijk had moeten meemaken. Wie niet continu beweegt, valt achter. Wie stilstaat, verdwijnt uit beeld. Wie even thuisblijft, mist “de energie”.
En toch bleef ik zitten.
Niet uit desinteresse, maar uit oververzadiging. Want ergens tussen de derde opening op donderdagavond en de vijfde private view in dezelfde week begon iets te knellen. Niet de kunst, maar de dwang. De dwang om aanwezig te zijn, om te bevestigen dat je er bent, dat je mee bent, dat je het gezien hebt. Of … toch minstens gefotografeerd.
FOMO is geen angst om iets te missen, maar angst om niet mee te tellen. Het is de stille paniek dat kunst zich voortzet zonder jou. Dat gesprekken gevoerd worden waar je niet bij was. Dat er referenties ontstaan die je niet kan plaatsen. Dat iemand zegt: “Zoals we vorige week zagen bij die expo…” en jij enkel kan knikken, alsof je er was.
Maar wat als missen ook een keuze is?
Wat als niet alles gezien hoeft te worden? Wat als sommige tentoonstellingen juist beter werken zonder publiek, zonder hashtags, zonder over elkaar heen buitelende meningen? Wat als kijken opnieuw iets zou mogen zijn dat tijd vraagt, in plaats van aanwezigheid?
Ik nam de proef op de som. Deze maand heb ik dus niet gekeken naar alles. Ik heb gekeken naar minder. Eén tentoonstelling. Twee werken. Een paar zinnen die bleven hangen. Ik heb kunst gemist, ja. Maar ik heb ook iets anders gewonnen: aandacht.
Het overaanbod heeft ons doen geloven dat selecteren gelijkstaat aan uitsluiten. Dat kiezen betekent dat je ergens tekortschiet. Maar misschien is kiezen net een vorm van zorg. Voor het werk. Voor jezelf. Voor de ruimte tussen kijken en begrijpen.
De ironie is dat hoe meer kunst er is, hoe minder we echt zien. Hoe voller de agenda, hoe leger de blik. Hoe groter de zichtbaarheid, hoe kleiner de ervaring. We zijn zo druk bezig met niets missen dat we vergeten waarom we ooit begonnen zijn met kijken.
Dus ja, ik heb het gemist. Dat ene werk. Die ene expo. Dat ene moment. En eerlijk gezegd: het voelde bevrijdend. De kunst liep niet weg. Ze wachtte. Of misschien hoefde ze dat niet eens.
Volgende maand mis ik waarschijnlijk weer van alles.
Met rotsvaste overtuiging.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
