Soms bekruipt me de gedachte dat we kunst vandaag lezen zoals een arts een röntgenfoto bekijkt: methodisch, klinisch, gericht op afwijkingen of bewijzen. De hedendaagse kunstkritiek lijkt steeds vaker op een verslag van wat er te zien is, wat het betekent, hoe het past binnen een stroming, een carrière, een markt. Alles wordt samengevat, verantwoord en, liefst nog, voorzien van een duidende ‘score’. Wat hebben we geleerd vandaag?
Maar wat gebeurt er als je een kunstwerk niet benadert als iets dat opgelost moet worden, maar als een ervaring die open mag blijven? Wat als je kijkt zoals een dichter leest. Niet om te verklaren, maar om geraakt te worden?
Sommige woorden in de kunstkritiek zijn tot clichés verworden. Intrigerend, bijvoorbeeld. Of prikkelend. Of beleving. Alsof kunst een soort elektrische schok moet zijn, een objectieve prikkel die ons uit onze lethargie moet wekken. Maar niet elke kunst wil prikke(le)n. Sommige werken willen wonden helen. Andere willen zwijgen. Nog andere willen niets, tenzij gewoon zijn. Daarover schrijven is moeilijker. En net daarom nodig.
Ik herinner me een recensie van een Rothko in een oude catalogus: “een abstract werk in rode en bruine vlakken dat de bezoeker confronteert met existentiële leegte.” Meer stond er niet. Of meen ik me te herinneren dat er geschreven stond. Maar wat ik zag – of liever, wat mij overkwam – was iets totaal anders. Ik stond bijna alleen in de museumzaal terwijl een aanwezigheid zich langzaam ontvouwde. Als een stil altaar waar je even mag rusten. Hoe vang je dergelijk gevoel in woorden?
Ik ben heilig overtuigd dat kunstkritiek niet alleen de verdomde plicht heeft om te informeren, maar vook erbeelding moet oproepen. Dat deze een genre op zich is, balancerend op de grenzen tussen essay, poëzie en brief. Want een goede kritiek is geen oordeel. Het is een ontmoeting. Met het werk, met jezelf, met het tijdsgewricht waarin beide op dat moment vertoeven.
De muze heeft geen checklist. Ze vraagt geen score op vijf, geen sterren in een krantenrubriek. Kunst vraagt stilte, aandacht, taal die durft falen omdat ze de uitdaging aangaat. Ze verdraagt geen vakjes of buzzwords. Ze wil dat je een beetje achterlaat van jezelf in je zinnen. Dat je kijkt met hart én huid.
Misschien moeten we kunstkritiek opnieuw uitvinden als een vorm van literatuur. Een plek waar denken en voelen elkaar kruisen. Waar stijl geen franje is, maar vorm van aandacht. Waar het niet gaat om zeggen wat het is, maar om tastend schrijven rond het werk. Zoals je schrijft over een geliefde die je niet helemaal begrijpt, maar toch in woorden wil vatten.
De goede criticus is geen rechter. Maar een flaneur. Iemand die vertraagt in een wereld die haast heeft. Die durft te blijven stilstaan waar anderen al doorliepen. Iemand die schrijft omdat hij niet anders kan. Niet om te oordelen, maar om te bewaren wat dreigt te verdwijnen: het moment dat iets je beroerde.
En misschien is dat precies wat kunstkritiek vandaag moet zijn. Geen gids. Geen catalogus. Maar een vorm van liefhebben.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Goed verwoord, maar hoe positioneer je in deze, om zo deze stem te laten klinken tussen al de roependen , die vechten om gehoord te worden. Iedere spreker wil zijn boterham + beleg verdienen , elke bekende vernisage wil de roeper en dit terwijl de aanwezigen wachten op de drank. Och arme de kunstenaar, die betaalt.
Deze publicatie is een goede plaats voor een andere stem.
Verzonden vanuit Outlook voor iOShttps://aka.ms/o0ukef
Het is inderdaad de juiste balans vinden en … geluk
Walter Benjamin had het niet beter kunnen zeggen!