Er zijn ochtenden waarop ik weet: vandaag moet ik schrijven, maar ik heb niets te zeggen. En net in die leegte schuilt het begin van iets echts. Want niet alles hoeft benoemd. Niet alles vraagt om taal. Soms is zwijgen de meest integere vorm van kritiek.
De moeilijkheid is: zwijgen valt niet op. In een tekst. In een tijdschrift. Op een website. De lezer verwacht een oordeel, een conclusie, een visie. En dus vullen we op. Met mooie zinnen, droge duidingen, of erger: met meningen. Terwijl wat we niet zeggen vaak dichter bij de ervaring komt dan alles wat we kunnen formuleren.
Ik heb geleerd dat het schrijven over kunst ook het schrijven rond kunst is. Het doet me denken wat Yra van Dijck in 2006 reeds schreef (ik beken dat ik even moest spieken op het internet) in haar boek Leegte, leegte die ademt. Dat wat niet gezegd wordt, de ruimte tussen twee zinnen, de pauze tussen twee alinea’s, is misschien wel de plek waar de lezer werkelijk gaat kijken. Het wit als uitnodiging. Het ontbreken als erkenning van het onzegbare. Bij haar ging het echter niet over kunst, maar over poëzie.
Weglaten is geen gebrek, maar een vorm van respect. Voor het werk en de lezer. Voor de twijfel die aan elk echt schrijven voorafgaat. Want wat weten we echt, als we voor een schilderij staan dat zich niet laat herleiden tot een boodschap, een citaat, een trend?
Een goed voorbeeld is Agnes Martin. Haar rasterwerken lijken op het eerste gezicht klinisch, bijna niets. Maar hoe langer je kijkt, hoe meer je beseft dat het net de afwezigheid is die ze schildert. De adem tussen lijnen. De trilling van het onuitgesprokene. Hoe schrijf je daarover zonder het stuk te maken? Door niet alles te willen invullen. Door ruimte te laten.
In die zin is kunstkritiek voor mij als tuinieren. Je snoeit. Laat leegte. Je vertrouwt erop dat de essentie vanzelf omhoog groeit, als je het juiste hebt weggelaten. En … dat de lezer bereid is om in dat open veld te gaan staan. Zonder handleiding. Zonder garanties.
Er zijn zinnen die ik bewust schrap. Omdat ze te mooi zijn. Te sluitend. Of omdat ze het werk niet dienen, maar mijn ego. Er zijn woorden die ik niet meer gebruik, zoals boeiend, interessant, of uniek. Omdat ze niets zeggen over het werk, maar alles over het gemak waarmee we betekenis simuleren.
En toch blijft het moeilijk. Want wie laat weg, riskeert onbegrepen te blijven. Of saai gevonden te worden. Stilte is niet sexy. Maar ik geloof dat ze nodig is. Als tegenwicht of protest. Als eerbetoon aan de complexiteit van kijken.
Dus ja, soms schrijf ik een tekst die eindigt zonder slot. Die open blijft. Die geen oordeel velt, geen samenvatting biedt. En ik denk dan: misschien is dit de zuiverste vorm van kritiek. Niet als stem, maar als ruimte. Niet als gids, maar als getuige.
Of zijn het de teksten die deze blog nooit bereiken?
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Een pareltje!