Er moet me iets van het hart na het lezen van de zoveelste curatortekst over een trending tentoonstelling. Of van een criticus die zijn woordenboek op een recensie losgelaten heeft. Er is iets grondig mis met de kunstkritiek vandaag.

Je kent het type tekst wel: een brok proza waar je hersenen al na drie zinnen van verzuipen in woorden die alleen nuttig lijken als je indruk wil maken op een snobistisch publiek dat met de monocle naar monochrome doeken staart. Fenomenologische ruimtelijkheid, postmodern deconstructivisme, transcendente liminaliteit – woorden zo zwaar dat je er spontaan een hernia van zou krijgen.

Het is alsof sommige curatoren en critici vooral voor zichzelf schrijven. Of voor die handvol art-historische collega’s die elkaar in een schimmige cirkel citeren, terwijl de rest van de wereld met een opgetrokken wenkbrauw denkt: Jeezes, wát bedoel je eigenlijk? Het kunstwerk? Dat is ondergesneeuwd onder zoveel goddelijke gewichtigheid dat je eerder een theologiestudent dan een nieuwsgierige museumbezoeker moet zijn om er iets van te begrijpen.

Kunstkritiek, dat was ooit anders. Kritiek hoorde kunst te ontsluiten, niet hermetisch af te grendelen achter een muur van ondoorgrondelijk geneuzel (om Ilja Leonard Pfeijffer te parafraseren). Baudelaire, die kon dat wel. Die zwierf door de Parijse salons, keek, voelde, schreef. Geen moeilijkdoenerij, gewoon observaties met zinnen zo scherp dat je je eraan kon snijden. Tegenwoordig lijkt het alsof critici zich meer bezighouden met hun eigen intellectuele erectie dan met het werk waar het over zou moeten gaan.

Voorbij de torenhoge ego’s

Je leest een hedendaagse recensie en je kan er zeker van zijn dat het eerste wat je tegenkomt een verwijzing is naar een obscuur essay van Jacques Derrida, alsof de kunst pas waardevol is als ze geanalyseerd wordt met de precisie van een forensisch onderzoek. Erger nog, de recensent lijkt vooral bezig met zijn eigen superioriteit te etaleren. Kunst is slechts een vehikel om te laten zien dat hij het allemaal net iets beter begrijpt dan jij, onwetende cultuurbarbaar.

Maar wie wint hier iets bij? Niet de kunstenaar. Niet de lezer. Niet de kunst zelf. Het enige wat ontstaat, is een kloof zo diep dat je er met gemak een (middel)grote sculptuur in kan verstoppen. En liefst de criticus zelf. Laten we immers eerlijk zijn: kunst draait niet om intellectueel spierballengerol. Kunst is wat je voelt als je voor een doek staat en iets in je borstkas verschuift, zonder dat je meteen kunt zeggen waarom. Een coup de foudre die niet uit vlees en bloed maar uit verf en doek bestaat.

Taal als camouflagepak

Natuurlijk, kunst kan complex zijn. Sommige werken schreeuwen om interpretatie, om context, om woorden die duiding geven. Een verhaal dat niet gehoord wordt, is gedoemd te verdwijnen. Maar woorden kunnen ook misbruikt worden. Wanneer taal zo ingewikkeld wordt dat ze het werk zelf overschaduwt, dan is er iets grondig fout.

Wat voor mij het ergste is? Dat die pseudo-diepzinnigheid vaak gewoon een rookgordijn is. Een manier om te verbergen dat de criticus eigenlijk niet zoveel te zeggen hééft. Een tekst vol termen als intertextualiteit en metafoor van de condition humaine voelt dan als een goedkoop camouflagepak: het lijkt indrukwekkend, maar het verbergt vooral de afwezigheid van échte inzichten.

Joost Zwagerman (wat mis ik die man zijn pen) zei ooit: “De ware kracht van kunst ligt niet in het begrijpen, maar in het ondergaan.” En verdomme, daar zit wat in. Het gaat om dat knagende gevoel in je maag, dat moment dat een werk je blik verandert. En toch lijkt de gemiddelde kunstcriticus vooral bezig met het volledig dichtlullen van die ervaring, alsof het kunstwerk pas telt wanneer het volledig verklaard is.

De flaneur als redder van de kritiek

Laat me mezelf in het spotlicht plaatsen, maar ik weet dat ik niet alleen ben. Misschien is het tijd voor een herwaardering van de flaneur. De zwerver door het museum. De observator die het aandurft om iets te voelen zonder meteen een encyclopedie open te slaan. Kunstkritiek moet terug naar de ervaring zelf. Naar het moment waarop je in een zaal staat, de geur van nat canvas ruikt, en niet meteen denkt: Welke obscure Franse filosoof past hier het best bij?

Een goede recensie? Die neemt je mee aan de hand, als vader en eerstgeborene. Beiden vertellen ze hoe de zachte lichtinval op het doek de penseelstreken laat oplichten. Hoe het werk je bij de keel grijpt, ook al weet je niet precies waarom. Kritiek mag confronteren, uitdagen, maar het mag vooral niet doen alsof kunst enkel bestaat voor de intellectuele happy few.

Want eerlijk? Kunst is geen puzzel die alleen de slimsten kunnen oplossen. Kunst is dat ondefinieerbare iets, dat moment waarop je stilvalt. En als woorden die magie kapotmaken, dan is het geen kritiek meer. Dan is het woordkitsch. Laten we dus stoppen met kunstkritiek als excuus voor academisch gewauwel. Kunst verdient meer. Kunst verdient het om gevoeld te worden. Misschien, heel misschien, is het tijd dat critici hun ego aan de museumgarderobe achterlaten en gewoon eens kijken.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder