4,8 sterren. Goed restaurant. 4,2 sterren. Redelijk hotel. Drie sterren. Matige voorstelling. Vijf sterren. Gaan.
We zijn een volk van sterren geworden. We beoordelen restaurants, hotels, boeken, films en theaterstukken nog voor we ze zelf hebben ervaren. Een vakantiewoning zonder 4,7 op Booking? Liever niet. Een restaurant met 3,9 op Google? Twijfel. Een voorstelling met vijf sterren? Kaartje kopen en vooral niet vragen waarom.
En precies daar verschijnt, bijna honderd jaar te vroeg, de Amerikaanse wiskundige George David Birkhoff. In 1933 publiceerde hij Aesthetic Measure. Zijn uitgangspunt was even eenvoudig als onbescheiden: schoonheid moet meetbaar zijn.
De formule van de schoonheid
Birkhoff wilde weten waarom we iets mooi vinden. Niet in de vrijblijvende betekenis van “ik vind het mooi”, maar alsof schoonheid een probleem was dat je met enige wiskundige discipline kon oplossen. Zijn formule zag er zo uit:
M = O / C
M staat voor de esthetische maat (aesthetic measure), O voor order: orde, regelmaat, symmetrie, ritme en samenhang. C staat voor complexity: complexiteit, variatie en het aantal verschillende elementen waaruit een object bestaat.
Het principe is verrassend begrijpelijk. Een volkomen chaotisch beeld heeft veel complexiteit maar weinig orde. Een volledig leeg of uiterst eenvoudig beeld heeft veel orde maar nauwelijks complexiteit. Volgens Birkhoff ontstaat esthetische aantrekkingskracht ergens in de verhouding tussen beide: er moet genoeg structuur zijn om iets te herkennen, maar genoeg variatie om onze aandacht vast te houden.
Een patroon dat we onmiddellijk begrijpen, verveelt. Een patroon waarin we helemaal niets herkennen, verwart. Het interessante zit ertussenin: je ziet de orde, maar je bent nog niet klaar met kijken.
Birkhoff probeerde die gedachte toe te passen op beeldende kunst, muziek en poëzie. Het was een ambitieuze poging om iets wat eeuwenlang tot het domein van smaak, intuïtie en gevoel had behoord, onder te brengen in een formule. En hoe vreemd het ook klinkt: bijna honderd jaar later zijn wij er dichter bij gekomen dan Birkhoff waarschijnlijk had kunnen vermoeden.
Birkhoff krijgt vijf sterren
Want wij meten alles.
Restaurants krijgen sterren. Hotels krijgen sterren. Boeken krijgen sterren. Films krijgen sterren. Theaterstukken krijgen sterren. Een tandarts krijgt een score. Een Uberchauffeur krijgt een score. Zelfs een onbekende vakantiewoning krijgt 4,83 op 5.
Birkhoff had M = O/C. Wij hebben ★★★★★.
Het is de democratische versie van zijn esthetische meetlat. Alleen is er één klein verschil. Birkhoff wilde begrijpen waarom iets esthetisch werkt. Wij willen vooral weten hoeveel sterren anderen eraan hebben gegeven.
“Hoe was het restaurant?” “4,7.” “Ah.” Einde gesprek.
De kunst van het cijfer
Dat wordt pas echt interessant wanneer dezelfde logica op kunst wordt toegepast. We leven in een cultuur waarin steeds meer waarde wordt uitgedrukt in cijfers: bezoekersaantallen, likes, volgers, bereik, engagement, verkoopprijzen, rankings en recensies. Ook tentoonstellingen worden steeds vaker beoordeeld alsof ze consumentenproducten zijn.
Maar kunst is geen restaurant.
Een restaurant kan simpelweg slecht zijn. Bij kunst is dat ingewikkelder. Een werk kan lelijk zijn en toch belangrijk. Een tentoonstelling kan mislukken en toch een interessante vraag stellen. Een voorstelling kan vervelend zijn en juist daardoor iets blootleggen. Een kunstenaar kan de verkeerde keuze maken en daarmee precies zichtbaar maken waar de grenzen van een medium liggen.
Een cijfer kan dat allemaal nauwelijks bevatten.
3 sterren.
Maar waarvoor precies? Voor de schoonheid? De originaliteit? De technische uitvoering? De historische betekenis? De emotionele impact? De kwaliteit van de curator? Het comfort van de bezoekers?
Alles wordt samengeperst tot één getal.
En daarmee wordt de score gevaarlijk verleidelijk. Ze doet alsof een oordeel objectief is, terwijl ze meestal een cocktail van persoonlijke voorkeuren, verwachtingen en omstandigheden is. Vijf mensen geven een restaurant vijf sterren omdat de risotto uitstekend was; een zesde geeft twee sterren omdat hij twintig minuten op zijn wijn moest wachten. Het algoritme maakt er 4,4 van. Een getal dat vooral zegt dat we niet meer hoeven na te denken.
Een score sluit af, kritiek opent
Daar wringt het met kunstkritiek.
Een goede criticus zou niet moeten functioneren als een menselijke sterrenmachine. De opdracht van kritiek is niet om aan het einde van een tekst een getal uit de lucht te plukken. De opdracht is te onderzoeken wat een kunstwerk doet.
Hoe is het opgebouwd? Waarom die materialen? Waarom die compositie? Welke traditie wordt gevolgd of juist doorbroken? Wat betekent het werk binnen het oeuvre van de kunstenaar? Wat gebeurt er wanneer het in deze specifieke ruimte wordt getoond? En waarom blijft het, zelfs wanneer we het niet goed vinden, misschien toch in ons hoofd zitten?
Birkhoff kan ons daarbij helpen. Zijn formule herinnert ons eraan dat vorm ertoe doet. Orde, ritme, herhaling, verhouding en complexiteit zijn geen vrijblijvende bijzaken. Maar ze verklaren niet alles. Een kunstwerk is geen optelsom van formele eigenschappen.
De kunstgeschiedenis heeft dat herhaaldelijk bewezen. Sommige werken werden belangrijk omdat ze mooi waren. Andere juist omdat ze de bestaande opvatting over schoonheid onderuit haalden. Marcel Duchamps Fountain (hier is hij weer) hoef je bijvoorbeeld niet mooi te vinden om te begrijpen dat het werk de vraag “wat is kunst?” grondig heeft veranderd.
Blijf nog even staan
Misschien ligt daar de ironie van Birkhoffs erfenis. Hij probeerde schoonheid te begrijpen door haar te meten. Wij meten steeds vaker om haar niet meer te hoeven begrijpen.
Een score is efficiënt. Ze bespaart tijd, twijfel en discussie. Maar kunst heeft misschien precies die drie dingen nodig.
Dus als u de volgende keer een restaurant ziet met 4,9 sterren: prima. Kijk ernaar. Bestel er gerust.
Maar wanneer u voor een kunstwerk staat dat slechts drie sterren krijgt?
Blijf nog even staan. Misschien is het geen drie sterren waard. Misschien is het vijf sterren waard.
Maar misschien is de interessantere vraag wel waarom we überhaupt dachten dat kunst vijf sterren nodig had. Want schoonheid laat zich misschien meten.
Kunstkritiek begint waar de meting ophoudt.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Je pleidooi voor tijd, twijfel en discussie raakt precies aan wat ik in de galerie probeer te doen vanuit de gedachte ‘kunst is onderzoek’. In tentoonstellingen, gesprekken met kunstenaars en ontmoetingen met bezoekers merk ik vaak hoe een eerste oordeel kan verschuiven. Wat aanvankelijk vreemd of onaantrekkelijk lijkt, kan door langer te kijken en vragen te stellen betekenis krijgen.
Dat vraagt ook iets van een galeriehouder. We selecteren, presenteren en verkopen, en geven daarmee richting aan wat aandacht krijgt. Juist daarom vind ik het belangrijk om ook ruimte te bieden aan experiment, ongemak en vragen waarop we zelf nog geen antwoord hebben.
Misschien is dat een mooie gezamenlijke opdracht voor galerie en kunstkritiek: mensen aanleiding geven om nog even te blijven staan, en het gesprek dat daar ontstaat verder te voeden.
Kunst moet voor zichzelf spreken, maar het kan nooit kwaad om samen in dialoog te treden.