De tentoonstelling is bijna voorbij. Nog tot 23 augustus hangen je foto's nog tussen de meesters in het Mauritshuis, in de zalen die Martine liet openstellen. Binnenkort is de zaal weer leeg. Het boek blijft.
Ik schrijf jullie deze brief niet omdat ik denk dat je hem ooit leest, maar omdat het me eerlijker lijkt dan een gewone recensie. Jullie hebben mekaar een jaar lang geschreven, over kunst, over verlies, over wat een mens verbergt en wat een schilderij prijsgeeft. Het minste wat ik kan doen is antwoorden in dezelfde vorm.
Pentimenti - Brieven over pigment, licht en troost heet jullie boek, uitgegeven bij Hannibal Books. Geen fictie. Echte brieven, tijdens een echt proces, tussen een fotograaf en een museumdirecteur. Stephan maakte vijftien nieuwe foto's, één voor elke zaal van het museum, die samen met een zestiende, bestaand werk de dialoog aangingen met de meesterwerken. Martine is de directeur die hem vroeg de collectie opnieuw te bekijken en die dialoog mogelijk maakte. Vlaming en Hollandse. Maker en instituut. Ik las het in stukjes, verspreid over weken, en precies daardoor voelt het niet als een boek dat je uitleest, maar als een correspondentie waar je zelf een beetje in binnenglipt.
Het woord zelf is al een klein kunstwerk. Een pentimento is een correctie die een schilder aanbracht tijdens het werk, een spoor dat normaal onzichtbaar blijft. Pas later, door chemische verandering of door röntgen, komt het naar boven. Van het Italiaanse pentire, berouw hebben. Stephan neemt het woord ook letterlijk. Welke vergissingen van de mensheid worden zichtbaar, na verloop van tijd, op klein en groot niveau.
Voor de brieven opteerden jullie voor luchtpostbriefpapier (bestaat dit woord wel?). Ik kan begrijpen, Stephan, dat dit jou, als reiziger, een extra gevoel moet geven. Alleen die lichtheid die de herinnering al oproept voor je het beseft. Papier dat nauwelijks weegt, terwijl de woorden en de beelden die het draagt alles behalve licht zijn.
Rechts de brieven, links de schilderijen en foto's. Door de dunheid van het papier schemert het beeld van de volgende bladzijde al door de woorden heen. Alsof het gewicht van het beeld niet kan wachten tot de bladzijde is omgeslagen.

De handelsreiziger
Stephan, je schrijft ergens dat je jezelf vervloekt omdat je je eigen kinderen te weinig fotografeert. Een handelsreiziger in gestolde tijd, noem je jezelf. Vreemden leg je moeiteloos vast. Bij je eigen kinderen hapert het.
Ik herken dat meer dan me lief is. Wie zijn hele leven door een lens naar anderen kijkt, vergeet soms de lens op zichzelf te richten, of op wie het dichtst bij staat. Misschien is dat geen tekortkoming maar een beroepsdeformatie die iedere fotograaf herkent. Je kan niet tegelijk deelnemen en registreren. Je kiest, telkens weer, en meestal kies je registreren.

Kosmos, in Kopenhagen gelezen
Een brief, gedateerd 30 juli 2025. Je hond Kosmos is gestorven, gecremeerd bij 800 graden, 850 gram as. Je vergelijkt de ovendeur met de sluiter van een fototoestel. Jheronimus Bosch, schrijf je, was aan de slag, een ware helletocht. En dan, midden in het verdriet, een jongen in onderbroek die per ongeluk de crematoriumzaal binnenloopt en er weer vandoor gaat. Schaterlachen en huilen tegelijk. Het kan, schrijf je. En je bent er goed in.
Ik las dat fragment een jaar later, op de dag af, in de lobby van een hotel in Kopenhagen. Diezelfde dag had ik het Louisiana Museum bezocht. Ik zag de datum pas toen ik al twee paragrafen verder was. Zulke dingen verzin je niet, ze overkomen je gewoon, en dan besef je dat je in hetzelfde spel zit als het boek zelf beschrijft. Tijd die zich plooit. Iets dat naar boven komt, precies op het juiste moment.
Dieren als spiegel
Kosmos was niet de laatste hond in dit boek. Later duikt Itam op, Martines hond, wiens naam Stephan gebruikt als speelse ondertekening. Itamese groet, schrijf je ergens, Stephan, in plaats van hartelijke groet. Zo klein, en toch precies het soort intimiteit die alleen ontstaat na maanden brieven schrijven.
Maar het mooiste dierenspoor in het boek is het paard. Je telt veertien witte paarden in de Mauritshuis-collectie en somt moeiteloos op wie er graag op zat: Napoleon, Caligula, Kim Jong-un, zelfs Jezus in de Openbaring. Leiders houden van wit, schrijf je, het staat voor macht en puurheid. Dan volgt de wending. Je eigen witte merrie, geëuthanaseerd, gefotografeerd ondersteboven terwijl de dierenarts haar hielp sterven. Je noemt het een omgekeerde Sneeuwwitje, geen droomprins die haar wekt, alleen het koele licht dat door het dak viel.
Het is een typische pentimento-beweging. Onder het beeld van macht en puurheid ligt een dier dat sterft in een stal, niet in een paleis.
Martine antwoordt je in een andere brief met een verhaal over Hitlers hond Blondi, die als eerste bij hem in bed mocht slapen terwijl zijn maîtresse buiten de deur bleef. Ze citeert journaliste Dorothy Thompson, die in 1931 al waarschuwde dat niemand zijn eigen dictator herkent voordat het te laat is. Geen enkel volk ziet het van binnenuit aankomen, schrijft Thompson, de dictator presenteert zich nooit als dictator maar als drager van de volkswil.
Terloops vraagt ze zich af of honden zouden aanvoelen wanneer hun baasje andere mensen slecht behandelt, zoals gezegd wordt van paarden die weigeren over een gevallen ruiter te stappen. Het is een vraag zonder antwoord, maar ze past wonderwel bij een boek dat steeds weer teruggrijpt naar wat pas achteraf zichtbaar wordt. Dieren zien misschien scherper dan wij, juist omdat ze niet liegen tegen zichzelf.

De blik en het gluren
In een andere brief volg je, Stephan, een oude man die in een kathedraal bidt. Zijn gezicht doet je denken aan de bijbelse figuren van Jan Steen en Rembrandt, aan een type dat kennelijk al eeuwen door kerken loopt. Je fotografeert hem ongezien, en pas achteraf stel je jezelf de vraag die het hele boek eigenlijk drijft: was ik een voyeur, een Actaeon in het duister?
Je zoekt de etymologie op. Voyeur komt van het Franse voir, gewoon zien. Pas later kreeg het woord een schaduwkant, werd het gluurder, iemand die kwaadaardig kijkt. Je noemt jezelf allebei tegelijk. Een gluurder die een moment van intimiteit steelt, en toch niemand kwaad doet, want alleen God en een houten heilige zagen je fotograferen.
Dit is precies de spanning waarin je hele oeuvre balanceert. Je legt vreemden moeiteloos vast, schreef je zelf al, maar bij elke vreemde die je fotografeert sluipt de vraag mee of je daarmee iets steelt dat niet van jou is. Dezelfde vraag die een fotograaf zich over zijn eigen kinderen stelt, alleen dan omgekeerd. Bij vreemden is het te makkelijk. Bij je kinderen is het te moeilijk.
Ik herken in die scène ook mezelf, of toch de rol waarin ik mezelf graag zie: de flaneur. Het woord komt uit het negentiende-eeuwse Parijs, via Baudelaire en later Walter Benjamin. De ledige wandelaar die door de stad drift, alles ziet, nergens haast bij heeft, en juist door die traagheid dingen opmerkt die anderen missen. Geen doel, geen bestemming, enkel aandacht. De flaneur kijkt, net als de voyeur, maar zonder de schaduwkant van het gluren. Hij observeert de straat, het toeval, het decor, niet het geheim van één mens.
Het verschil zit in de afstand en de onschuld die eraan wordt toegeschreven. De voyeur kijkt naar wat verborgen moet blijven. De flaneur kijkt naar wat toch al openbaar is, maar ziet er iets in wat de rest voorbij loopt. Al is die grens flinterdun. Ook jij, Stephan, volgt die biddende man eerst flanerend, van op afstand, doelloos, tot het moment dat je de camera opheft en de blik verandert van wandelen naar gluren. Precies daar, op die drempel tussen kijken en gluren, speelt zich dit hele boek af.
Wat schuilt onder het oppervlak
Je telt ook het bloed. Drie werken maar in het hele Mauritshuis: een omgekeerde haan met een spijker door zich heen van Melchior d'Hondecoeter, een veldslag van Quiringh van Brekelenkam, en de tranende stigmata in de Bewening van Rogier van der Weyden. Voor de rest, schrijf je, is het museum liflijk. Zacht licht, stille schoonheid, weinig geweld aan de muren.
Maar onder die liflijkheid schuilt iets anders. Oesters, opengewapperde lakens, vruchten die op vrouwelijke vormen lijken. De stillevens hangen vol verstopte erotiek, netjes verpakt in decorum. Je vraagt je zelfs af waar de doornenkroon is op het hoofd van Christus bij Van der Weyden, alsof zelfs het lijden hier ingetogen wordt weergegeven.
Dat is de kern van pentimento toegepast op een hele collectie. Wat op het eerste gezicht mooi en gedempt oogt, blijkt bij nader inzien vol bloed, verlangen en verdriet te zitten. Het museum toont het liefst de gepolijste laag. Jullie brieven graven eronder.

Wat vergaat, wat blijft
Ergens beantwoord je, Stephan, je eigen vraag over de doornenkroon. Je zag de vermeende relikwie in de Notre-Dame, tijdens een laatste bezoek aan Parijs met je oude moeder. Ecce Homo, zie de mens, schrijf je. En ik zag mijn moeder. Een kroon bedoeld om te bespotten, en toch is het je moeders gezicht dat erin opduikt. Weer zo'n pentimento, een religieus beeld dat plots iets heel persoonlijks laat doorschemeren.
Je herinnert je de brand van 2019, hoe de aalmoezenier van de brandweer de doornenkroon, de spijkers en een splinter van het kruis in veiligheid bracht, later tijdelijk te zien in het Louvre. Dat zet je aan het denken over het Mauritshuis. Is het bestand tegen diefstal, tegen brand? Bestaat er een evacuatielijst? Je gokt op Meisje met de parel, en bedenkt dat de Stier van Potter toch niet zomaar naar buiten te dragen valt. Over je eigen foto's ben je opvallend nuchter: die zijn reproduceerbaar, dus vervangbaar, en dat noem je geruststellend. Een fotograaf die zijn eigen werk relativeert tegenover de schilderijen waarmee het hangt te praten.
Dan het tegenovergestelde element. Water, niet vuur. Het Mauritshuis ligt letterlijk in een vijver, de trap naar de balie loopt onder de waterspiegel. Je vergelijkt het met je eigen huis in Veurne, hoger gelegen maar muf in natte winters, tegenover een Amsterdam dat op palen in het water staat alsof opstijgend vocht daar niet bestaat. Het gevaar komt van binnenuit, schrijf je, ditmaal niet over dictators maar over fundamenten.
En dan, in dezelfde adem, storm Benjamin, die je liet voorbijgaan omdat je mentaal en fysiek niet klaar was. Je vergelijkt jezelf met een ruiter die van zijn witte paard viel en te lang wachtte om weer op te stijgen. Het is de derde keer dat een wit paard opduikt in dit boek, na de veertien geschilderde exemplaren en je eigen geëuthanaseerde merrie. Telkens weer datzelfde dier, telkens een andere betekenis. Macht, verlies, en nu ook twijfel.
Vuur is plots en zichtbaar. Water sluipt binnen, ongemerkt, jaar na jaar. Samen vormen ze een derde manier om naar pentimento te kijken. Niet alles wat verborgen ligt komt naar boven door een schilder die zich bedenkt. Soms komt het naar boven door een ramp, of door een stille traagheid die niemand wil zien voor het te laat is.
Vogels, protest en de buitenwereld
Martine, in een brief van 6 februari 2026 schrijf je over een ochtendloop langs de Amstel, waar Rembrandt ooit wandelde en tekende. Je bedankt Stephan voor een zelfportret dat tegenover een Rembrandt komt te hangen. Jullie zijn een mooie match, schrijf je.
Dan volgt een merkwaardige rust, want diezelfde week opent BIRDS, met spanning over mogelijke Gaza-demonstranten na uitspraken van medecurator Simon Schama op X. Toevallig speelt diezelfde ochtend in Theater aan het Spui de toneellezing Shakshuka: No Onions, over de oorlog in Gaza en een vriendschap die breekt wanneer een eindredacteur weigert de Gaza-artikelen van zijn Joodse collega te plaatsen. Je wil het stuk aanbieden aan het Mauritshuis-team, want ook intern botsen meningen sinds de oproep tot een culturele boycot van Israël. Je vraagt je af waarom een zeventiende-eeuws museum zich daar druk om maakt, en antwoordt zelf: net die kunst kwam voort uit een tijd vol conflict.
De brief eindigt bij een opgezette valk in BIRDS, ooit gevonden op de dierenbegraafplaats van Sakkara, ooit vereerd als de aardse vorm van Horus, beschermer van de farao. Vogels als bescherming, ook nu de wereld weer hard aanvoelt.

De vorm van het boek
Wat dit boek anders maakt dan een gewone catalogus, is dat jullie correspondentie twee kanten op loopt. Martine schrijft evenveel terug als Stephan schrijft. Het is geen fotograaf die verslag doet aan een geïnteresseerde directeur, het zijn twee mensen die mekaar iets influisteren, om beurten.
Ik geef het toe, ook al voelt het een beetje ongepast in een stuk dat verder alleen maar lof lijkt te zingen: de foto's op zich waren niet wat me het meest bijbleef. Ze zijn knap gemaakt, ze staan mooi tussen de meesters, maar het waren de woorden eromheen die ze pas echt lieten spreken. De brieven maakten de beelden sterker, gaven ze een laag die ik er zelf nooit had ingelezen. Soms zo sterk zelfs dat de tekst dreigde te overheersen, dat je de foto bijna vergat terwijl je las over Hitlers hond of een lekkende kelder in Veurne. Daar zit het echte werk, niet enkel in de zestien beelden aan de muur, maar in het gesprek dat ze liet weerklinken, soms harder dan de beelden zelf.
Ergens in die dialoog zit ook de humor. De jongen in onderbroek bij het hondencrematorium. Itamese groet in plaats van hartelijke groet. Klein, ludiek, en precies daardoor menselijk temidden van alle zwaarte over sterfelijkheid en macht.
Slot
Lieve Stephan, lieve Martine,
De expo sluit deze dagen, de zalen worden binnenkort weer stil, Stephans foto's verdwijnen straks weer van naast de meesters. Maar het boek blijft, en het doet iets wat een tentoonstelling niet kan. Het laat zien hoe een blik groeit, brief na brief, van een dode hond tot een levende, van een vreemde in een kathedraal tot een merrie die stierf in een stal die niemand fotografeert.
Ik denk dat dat de eigenlijke pentimento is. Niet het geheim onder de verf, maar het geheim dat ontstaat tussen twee mensen die elkaar lang genoeg schrijven om zich bloot te durven geven. De rest, de schilderijen, de zalen, de data van de tentoonstelling, is decor. De correspondentie zelf is het kunstwerk.
Met een kunstflanerende groet,
Yves
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
