Een column schrijft zichzelf soms. Je stapt een galerie binnen, je wordt voorgesteld, je noemt de naam van een vriend die er exposeert, en voor je de zin hebt afgemaakt is de interesse al geëvaporeerd. Niet geleidelijk. Niet met een uitvlucht. Gewoon: weg. Als een vlek die iemand plotseling ontdekt op zijn hemd.
We spreken elkaar later nog.
Later. Dat veelzeggende later. In het galerielandschap is later een ontembaar woord. Later betekent: afhankelijk van wie er daarna binnenkomt.
De logica van de meter
Ik begrijp de redenering, echt. Een galerie is geen museum. Ze moet verkopen. De (kosten)meter loopt. De huur van die witte vierkante meters in de binnenstad is geen abstractie. Dus ja, de galeriehouder die haar bezoekers instinctief categoriseert doet aan risicobeheer. Aan tijdsmanagement. Aan economische realiteit.
Alleen werkt het zo niet.
Want ik was vriend van een kunstenaar, zegt u? Juist. Iemand die dus al jaren naar kunst kijkt, nadenkt over kunst, praat over kunst. Iemand die misschien zelf verzamelt, of over vijf jaar zal verzamelen, of wiens vriend of familielid zoekt naar iets voor de nieuwe woonkamer. Het sociaal kapitaal in een galerie is altijd groter dan het lijkt. De bezoeker zonder das kan de broer zijn van de directeur met das.
Maar zelfs dat argument is al te instrumenteel. Want waarom zou de vraag of iemand koopt de enige lens zijn waardoor je hem bekijkt?
Kleingeestigheid
Er is een woord voor wat ik beschrijf, en het is niet 'niche-marketing' of 'doelgroepbeheer'. Het woord is kleingeestigheid. De galeriehouder die enkel oog heeft voor de vermoedelijke koper ontneemt zichzelf precies datgene wat haar ruimte zou kunnen onderscheiden: een gesprek. Een context. Een verhaal over de kunstenaar dat de bezoeker meeneemt, dat sluimert, dat drie maanden later misschien een aankoop maakt die niemand zag aankomen.
Kunst is geen koelkast. Ze verkoopt zich via enthousiasme, via overdracht, via de warme irrationele keten van mensen die met andere mensen praten over wat hen roert. Wie dat circuit kortsluit omdat de persoon bij de deur toevallig een vriend is van de kunstenaar, begrijpt het medium niet waarbinnen gewerkt moet worden.
De galeries die het wél begrijpen
Ik wil niet naïef zijn. Ik ken gelukkig (heel) veel galeries die het anders doen. Waar de galeriehouder u aanspreekt alsof u de meest interessante bezoeker bent die die dag is binnengekomen, ongeacht of u een catalogus vasthoudt of een hond aan de riem. Waar het gesprek begint zonder agenda. Die plekken herken je onmiddellijk. En je keert er terug. En uiteindelijk, vroeg of laat, koop je er iets.
Niet omdat je gepusht werd. Maar omdat je je welkom voelde.
We spreken elkaar later nog is een cliché dat pijn doet, ja. Niet omdat het onbeleefd is, maar omdat het zo doorzichtig is. Omdat het zegt: ik heb u gewogen en te licht bevonden. Omdat het de hele belofte van de witte kubus, die neutrale, open, democratische ruimte waar iedereen voor de kunst gelijk is, in één zin onderuithaalt.
Later kwamen we niet meer tot spreken. En de kunstenaar, mijn vriend, vroeg me nadien hoe het was.
'Interessant', zei ik.
Dat veelzeggende interessant.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
