We zagen elkaar in Brugge, in de Bogardenkapel, bij Rhythm is a Drawer. De ruimte was koel, bijna ascetisch. Het licht viel gefilterd binnen, zoals alleen in Brugge het licht kan binnenvallen: traag, met respect voor wat het aanraakt. Tussen de werken sprak ik met Sylvie De Meerleer. Ze spraak stil, niet haastig. Alsof ook het gesprek zich moest voegen naar het ritme van de plek.

Je werk eiste je volle aandacht op. Je sprak over ritme als iets wat niet wordt opgelegd, maar gevonden. Over herhaling als een vorm van denken. Je het atelier als een ruimte waar twijfel geen vijand is, maar bondgenoot. Over de dood en de troost die je vond bij Seneca. Je stelde voor dat ik het ook zou lezen, want het zou me beter helpen begrijpen.

Het was COVID-tijd. We moesten noodgedwongen ons gesprek beperken tot de locatie. een koffietje of theetje achteraf zat er niet in. Enkele weken later ontving ik je persoonlijk exemplaar van Leren sterven. Brieven aan Lucilius van Seneca. Het boek was geen vluchtig gebaar. Je had zinnen gemarkeerd – vele zinnen – alles wat je essentieel leek. Fluogele sporen als kleine bakens in een tekst die je ernstig had genomen. Vooraan schreef je een persoonlijke tekst voor mij. Geen obligate opdracht, maar woorden die even zorgvuldig waren als je penseelstreken.

Vandaag lees ik het bericht van je overlijden. Net geen veertig jaar.
En dat boek ligt opnieuw open.

Image

In de Bogardenkapel werd duidelijk wat je werk doet: het vertraagt. Het weigert de onmiddellijke leesbaarheid. Het vraagt van de kijker dezelfde concentratie die jij in het maken legde. Je schilderijen zijn geen uitroeptekens, maar ademtekens. Ze spreken in nuances, in verschuivingen die pas zichtbaar worden wanneer men bereid is te blijven. (achteraf besef ik dat ik in de tegenwoordige tijd over je werk schrijf)

Je hield niet van het grote gebaar. Niet in je werk, niet in je spreken. Wat je zocht, was precisie. Een juiste verhouding. Een evenwicht dat nooit definitief is, maar altijd in beweging blijft. “Rhythm is a Drawer”. De woorden klonken als een paradox, maar in jouw handen werd het helder: ritme is iets wat ruimte opent, wat iets laat verschijnen.

Dat je zo intens Leren sterven had gelezen, verwondert me niet. In de brieven van Seneca gaat het niet over dramatiek, maar over helderheid. Over het onderscheiden van wat wezenlijk is. Over het oefenen in loslaten zonder cynisme. Jij had niet één zin onderstreept, maar vele. Alsof je wist dat waarheid zich verspreidt over meerdere passages, dat betekenis nooit in één formule past.

Eén citaat keert vandaag terug, onvermijdelijk:

“In al die tranen zoeken wij bewijzen voor ons gemis. Wij geven geen gevolg aan ons verdriet. We stellen het tentoon.”

Ik voel hoe gevaarlijk het is om woorden te groot te maken. Om van verlies een retorische scène te maken. Jij zou dat niet gewild hebben. Je hield van ingehoudenheid. Van aandacht zonder pathos.

Wat blijft, is geen monument. Wat blijft, is een manier van kijken. De stilte van de kapel in Brugge. De bedachtzame manier waarop je sprak over twijfel als noodzakelijke fase. De overtuiging dat een werk niet moet schreeuwen om te bestaan. Dat het mag wachten tot iemand het echt ziet.

Ik blader door het boek en zie je fluogele lijnen als een tweede handschrift. Vooraan lees ik je woorden aan mij. Ze zijn helder. Dankbaar. Warm. Misschien is dat wat leren sterven betekent: niet het einde begrijpen, maar het leven zo aandachtig mogelijk bewonen zolang het er is. Jij deed dat. In je atelier en je werk. In onze ontmoeting in Brugge.

De kapel is weer leeg. Maar het ritme blijft. En tussen de gemarkeerde zinnen lees ik niet alleen Seneca. Ik lees jou en dwaal even terug naar Bruges-la-Morte.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder