Elke verzameling begon met een ontbrekende sticker. Op deze blog schreef ik er al eens over: het Panini-album op de speelplaats. De dagelijkse zoektocht naar die ene speler van Winterslag die mijnheer Panini ogenschijnlijk nooit gedrukt had. Mijn vader die op een avond die bewuste sticker mee naar huis bracht. Munten werden postzegels, treinen werden boeken. En ergens onderweg, tussen de bibliomanie en de reislust, verscheen het woordenboekje.

Woorden verzamelen is de goedkope variant van kunst verzamelen. Geen opslagkosten, geen verzekeringswaarde, geen curatoriële angst dat je iets mist op de beurs. Alleen een schriftje en de bereidheid om te luisteren alsof je voor het eerst hoort. Maar net als bij kunst geldt: de mooiste vondsten komen niet van de markt. Ze komen van ver weg, van onverwachte mensen, op momenten dat je ze niet zocht.

6.000 kilometer van huis

Aan een bushalte in Irkoetsk leerden twee Franse dames me het woord babilets. Een Russisch woord dat op het eerste gezicht doet denken aan luiers, maar in feite de Indian Summer van de vrouw beschrijft: de periode nadat de kinderen het huis verlaten hebben, waarin een moeder voor het eerst in jaren weer in de spiegel kijkt en zichzelf ziet. Niet als moeder, maar als vrouw. Die subtiele rimpeltjes, die zelfbewuste blik, die innerlijke rust die eindelijk de ruimte krijgt.

Ik opende mijn schriftje en schreef het woord op.

Dat schriftje verdween later, zoals zo veel dingen verdwijnen. Maar toen ik het een jaar later verving, stond paternosterlift (vraag me niet meer waar ik het opving) als eerste woord op de nieuwe lijst, gevolgd door regenarcering, Lebenslüge en even later bitskoemmer. Dat laatste woord klom omhoog uit het Antwerpse idioom van mijn grootmoeder, die ermee politici bedoelde maar ook iedereen die zijn leven als strandjutter doorstond, haveloos, sjofel, langs de vloedlijn schuimend naar wat anderen achterlieten.

Een woordenverzamelaar is zelf een beetje een bitskoemmer. Hij schuimt het taalstrand af. Wat anderen laten liggen, raapt hij op. En soms, ver genoeg van huis, raapt hij woorden op die in geen enkel woordenboek staan.

Eendenkopgroen bestaat nergens

Op een avond in november 2008, in een gehucht in Noord-Thailand tussen Thoeng en nergens, vroeg ik aan mijn Thaise gastheer Yui of zijn taal veel synoniemen kende voor het groen dat ons omringde. Hij was amper verbaasd. Die avond noteerde ik drie nieuwe woorden in mijn woordenboekje: paardenvijggroen, bananenbladgroen, eendenkopgroen. Staat zo op Magonia, de reisblog die ik destijds bijhield.

De zoektocht naar eendenkopgroen

Die drie woorden bestaan in dat ene verslag, op die ene avond, onder die ene sterrenhemel. Buiten dat corpus verdwijnen ze. De taalkundige heeft daar een naam voor: een hapax. Een woord dat slechts één keer voorkomt, in één tekst, op één moment. Daarna is het er niet meer, tenzij je het opschrijft.

Dat schriftje is dus geen woordenboek. Het is een verzameling hapaxen. Woorden die bestaan als eenlingen, als vondsten zonder duplicaat, als de sticker van die speler van Winterslag die nooit dubbel was.

Whrrwhee

Vorige week kreeg ik een boekje in handen. Honderdvijftien exemplaren op Munken-papier, grafisch ontworpen door Florence Van Acker, gedrukt door Zwartopwit. Aan de linkerkant van elke openslag één woord. Aan de rechterkant één schilderij. Eén woord, één doek. Achttien keer.

De woorden zijn van James Joyce, de achttien hapaxen die hij verspreidde over de achttien hoofdstukken van Ulysses. Woorden die hij uitvond, samensmolt, uitrekte of gewoon liet klinken tot ze iets nieuws betekenden. Snotgreen. Tattarrattat. Contransmagnificandjewbangtantiality. Joyce was, schrijft Laurent de Sutter in de bundel, de maker van hapaxen: woorden die verdwijnen in de nacht van de literatuur zodra ze zijn uitgesproken. Herhaling bestaat niet. Alleen de eerste keer, die tegelijk de laatste is.

De schilderijen zijn van Xavier Noiret-Thomé, te zien in [bu’ro] in Oostende tot 26 juli. Adiaphane, het niet-doorschijnende, werd een intens blauw vlak met drijvende zwarte vlekken en echte peuken vastgehecht aan het oppervlak. Snotgreen werd lavendelgrijs met een oranje vierkant en lucht die ergens tuimelt. Een hapax laat zich niet letterlijk vertalen. Je kunt er alleen naar wijzen. Of er een doek over hangen.

Ik bladerde door het boekje en dacht aan mijn schriftje.

Het woord aan de muur

Kunst en taal verzamelen zijn hetzelfde gebaar: de hand die uitsteekt naar iets wat anders voorbij zou gaan. Het enige verschil is dat een schilderij aan de muur hangt en een woord in het hoofd blijft ronddraaien, soms tot diep in de nacht, tot je het opschrijft of het met de slaap verliest.

Misschien is dat onderscheid kleiner dan het lijkt. Een woord dat je opschrijft hangt ook. Een schilderij dat je blijft zien, ook als je de galerij al lang verlaten hebt, draait ook rond. De verzamelaar van woorden en de verzamelaar van kunst zoeken hetzelfde: het moment waarop iets wat naamloos was een naam krijgt, of iets wat een naam had eindelijk zichtbaar wordt. Dat moment duurt nooit lang. Maar in een schriftje, op een doek, op een reisblog die niemand meer leest, blijft het bestaan.

Dat is genoeg op deze hondsdag die een maand te vroeg valt.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder