Een imaginaire wandeling door TEFAF New York 2026
Een bekentenis alvorens u verder leest. Ik zal er zelf niet aanwezig zijn. Van 15 tot 19 mei openen de deuren van TEFAF New York in Park Avenue. Maar niet voor mij. Want van 14 tot 17 mei is het Antwerp Art Weekend, de twaalfde editie, 88 locaties, de hele stad als galerie. Een flaneur heeft zijn prioriteiten. Of zijn alibi’s. Of allebei.
Wat ik dus heb, in plaats van een vliegticket, zijn persdossiers, hoge-resolutiebeelden, provenance-fiches en de overtuiging dat afstand soms het beste kijkinstrument is. De flaneur die niet reist, kijkt anders. Hij kijkt dieper.
En wat ik door de papieren heen zie, verrast me: stoelen.
De uitnodiging van Axel Vervoordt
De eerste stand die ik denkbeeldig binnenloop is die van Axel Vervoordt Gallery – en dat is geen toeval, want het is de enige stand op deze editie die als solotentoonstelling is opgezet. 88 galeries uit 15 landen zullen de Drill Hall en de zestien historische stijlkamers van de Armory vullen, maar Vervoordt kiest voor concentratie. Eén kunstenares. Eén leidmotief: stoelen. Ida Barbarigo, geboren in Venetië in 1920, gestorven in 2018.
Er is nog een serendipiteit die ik niet onvermeld kan laten: terwijl de Vervoordt-booth in New York de werken van Barbarigo toont, is de galerie in Antwerpen zelf ook open voor Antwerp Art Weekend. Axel Vervoordt is dus simultaan aanwezig in Antwerpen en Manhattan. Een galerie in twee steden tegelijk. Dat is een logistiek kunstwerk op zichzelf.


Maar terug naar de stoelen
Barbarigo, geboren als Ida Cadorin, is telg van een bekende Venetiaanse kunstenaarsfamilie, opgeleid als architect voordat ze haar leven aan de schilderkunst wijdde. Barbarigo werkte echter decennialang in de schaduw van haar echtgenoot, de Sloveens-Italiaanse schilder Zoran Music. Ze bewoog zich in het Parijse milieu rond La Galerie de France, bevriend met Germaine Richier, Vieira da Silva, Hans. Dat is een indrukwekkend gezelschap voor iemand die de internationale erkenning nooit ten volle heeft gekregen die ze verdiende.
Axel Vervoordt Gallery vertegenwoordigt haar estate sinds 2020 en brengt nu een selectie werken uit de jaren vijftig tot zeventig naar New York. De timing is niet toevallig: in de zomer van 2025 organiseerde het Museo Eremitani in Padova een grote retrospectieve, gecureerd door Daniela Ferretti. De Europese rehabilitatie is ingezet. New York is de volgende zet.
Wat ik zie in de beelden – en ik neem de tijd om ze goed te bekijken, want dat is het voordeel van de imaginaire wandeling – zijn werken die zich moeilijk laten samenvatten zonder het woord bezeten te gebruiken. De stoel bij Barbarigo is geen meubel. Hij is een personage, een psychische toestand, soms een massa die dreigt te verdrinken in de materie van het doek zelf.
De seggiole
Neem L’uomo di pietra, e le seggiole uit 1969 – olieverf op doek, 39,5 × 79 cm, een langgerekt, bijna panoramisch formaat dat doet denken aan een fries. Aan de rechterkant zit een rode gedaante – de steenman van de titel – en links van hem golft een reeks stoelen die meer weg hebben van inktvisachtige wezens dan van objecten. Ze buigen, krommen, bewegen in een register dat ergens tussen dans en verstarring in zit. De verf druipt, in de karakteristieke techniek van Barbarigo’s volwassen werk: verticale strepen die naar beneden lopen als regen of als tijd.

“L’uomo di pietra, e le seggiole” (Man of Stone, and the Chairs), 1969 – ©JanLiégeois
Dan is er Riso di Socrate – het lachen van Socrates, 1969, olieverf op doek, 100 × 80 cm. Hier is de stoel verdwenen, maar het personage dat overblijft heeft iets stoelvormigs aangenomen: een gedaante die instort en tegelijk overeind blijft, alsof de structuur van het meubel is geïnternaliseerd in het lichaam. En General dixi: doman piovi uit 1964 – “de generaal zegt: morgen regent het”, 114 × 162 cm, het grootste doek in de selectie – toont een hele menigte van figuren en stoelen die in elkaars verlengde oplossen, in een palet dat eerder aan fresco denkt dan aan olieverf. De generaal kondigt regen aan. De stoelen wachten.

1964
Oil on canvas

1969
Oil on canvas
Barbarigo werkte in series, in thematische golven die over de decennia heen liepen. De stoel is haar obsessie zoals het water dat van Turner was, of de appel van Cézanne: niet het onderwerp maar de taal.
De stoel reist mee door de beurs
Hier begint de verrassing van de imaginaire wandeling. Want Barbarigo staat niet alleen met haar stoelen in de Armory.
Enkele stands verder, bij Modernity Stockholm (stand 364), staat de Chieftain Chair van Finn Juhl – teakhout en origineel leder, 1949. De Chieftain Chair geldt als een van de absolute meesterwerken van de Deense meubelontwerper, en bij zijn introductie markeerde hij een breuk met de Deense meubeltraditie. Geïnspireerd door de moderne beeldende kunst ontwierp Juhl een stoel die zich loswrikt van het strikte functionalisme, “zowel in vorm, constructie als materiaalgebruik.” De stoel als sculptuur. De stoel die wil ontsnappen aan zijn eigen gebruiksdoel.

(foto met dank aan Modernity)

(FOTO MET DANK AAN CECIL MATHIEU / GALERIE MARCILHAC)
En dan is er Seizō Sugawara, bij Galerie Marcilhac. The Ardent Armchair, ca. 1915, gelakt hout met zilverpoeder in de Japanse maki-e-techniek. Sugawara was een van de weinige Japanse kunstenaars die in het vroeg-twintigste-eeuwse Parijs werkten. Hij onderwees lakkunst aan juwelier Lucien Gaillard en werkte later voor Eileen Gray. Zijn armstoel is geïnspireerd op traditionele Chinese wortelstoelen; het oorspronkelijke paardenharen kussen is bewaard gebleven. Het is een stoel die overleeft. Die ouder is dan iedereen die door de Armory zal lopen. Die hen misschien allemaal zal overleven.
Drie stoelen. Drie stands. Geen van de drie bedoeld om naast elkaar te hangen. Maar de flaneur ziet het patroon – dat is zijn enige privilege, en ook zijn enige excuus voor de imaginaire wandeling.
Wat deze drie objecten gemeen hebben is niet de vorm maar de ambitie: elk van hen wil méér zijn dan waarvoor hij gemaakt is. Juhl wil sculptuur zijn. Sugawara wil kunst zijn. En Barbarigo’s geschilderde stoelen willen iets zijn wat geen taal goed dekt – demonen, misschien, of getuigen.
David Lévy en de andere Belg in de kamer
Er zijn twee Belgische exposanten op TEFAF New York 2026. Axel Vervoordt kent u. De andere is David Lévy & Associés, gevestigd in Brussel en Parijs, gespecialiseerd in moderne en naoorlogse kunst.
Lévy brengt onder meer Woman on a Sign IV van Willem de Kooning, een werk met een rijke provenance: Galerie des Arts Parijs, M. Knoedler & Co New York, een Belgische privécollectie, en een passage via Christie’s Parijs in 2015. De Kooning had in 1963 Manhattan verlaten voor East Hampton; in de stilte van Long Island werd zijn Women-serie vloeiender, lumineuzer, minder confronterend. Woman on a Sign IV is zonnig waar zijn vroege vrouwen grimmig waren – de verf stroomt eerder dan dat ze bijt.
Maar het werk dat me in de beelden het meest treft bij Lévy is een andere: Red, Yellow, Blue #24 van Keith Haring uit 1987. Het is een groot, brullend doek – een dansende figuur met een Afrikaans masker als hoofd, robotachtige ledematen, alles opgebouwd in zwarte contourlijnen over vlakken van primaire kleuren. De verf druipt hier ook, maar anders dan bij Barbarigo: niet als regen of verval maar als overvloed, als energie die niet meer in het doek past.
De provenance van dit werk heeft iets filmisch: van Tony Shafrazi Gallery New York naar Cotthem Gallery in Knokke-Zoute, dan naar een privécollectie in Knokke-Heist, dan Parijs, dan de huidige eigenaar (bron: David Lévy werkfiche). Een werk dat via de Belgische kust naar de wereld reisde – en nu terugkeert naar Manhattan, waar het gemaakt werd.


Lévy positioneert het werk expliciet in de modernistische traditie van het primitivisme – Picasso, Braque, Brancusi – en beschrijft hoe Haring in deze periode de spontaniteit van zijn metrotekeningen omwisselde voor een bewuster kunsthistorisch gesprek: o.a. de kubistische perspectiefverschuiving van Picasso, van Léger de scherpe zwarte contourlijnen, van Matisse de kleurvlakken. Haring maakte dit werk in januari 1987. Hij was 28 jaar. Hij stierf in 1990.
De druipende verf in Red, Yellow, Blue #24 heeft achteraf iets van een voorteken gekregen dat er bij de maker niet in zat – dat is het lot van elk groot werk dat zijn maker overleeft. Het wordt gelezen met kennis die de schilder niet had.
Waarom nu, waarom New York
Er is een economische logica achter de keuze van Axel Vervoordt om Barbarigo als solo te brengen naar TEFAF New York, en het zou oneerlijk zijn die te negeren. De Europese retrospectieve in Padova (2025) heeft haar marktpositie versterkt. New York is het podium waarop Europese moderne kunst haar internationale prijsstelling krijgt. Dat is de onzichtbare structuur achter elke soloshow op een beurs van dit kaliber.
Maar er is ook een kunsthistorische logica, en die is dringender. Barbarigo heeft drie keer de Biënnale van Venetië meegemaakt, was aanwezig in Bilbao, Valencia en het Palazzo Fortuny- en toch bleef ze onderbelicht.
Wat Barbarigo miste was geen kwaliteit maar context. Ze werkte in de schaduw van haar echtgenoot, in een milieu dat vrouwelijke kunstenaars systematisch als bijfiguren behandelde, in een genre – de figuratieve schilderkunst met psychologische lading – dat in de jaren zestig en zeventig moest concurreren met de conceptuele revolutie. Haar stoelen waren te stil voor de tijd. Nu is de tijd ingehaald.
Of dat ook geldt voor de markt, is een andere vraag. Maar die vraag stel ik hier niet.
De Armory, denkbeeldig verlaten
Ik verlaat de Park Avenue Armory – denkbeeldig, zoals ik er denkbeeldig ben binnengegaan. Op Lexington Avenue is het mei. De stad maakt lawaai.
Ondertussen, op datzelfde moment, wandel ik werkelijk door Antwerpen. Ik zal aanwezig zijn waar ik kan zijn. En de rest – de Armory, de Drill Hall, de historische stijlkamers, de stoelen van Barbarigo – die bewandel ik via de beelden, de fiches, de papieren. Via de enige route die de flaneur kent als hij thuis moet blijven.
Wat ik meeneem is een eigen beeld dat ik nu scherp voor ogen heb: een stand in de Drill Hall, wit en precies ingericht, en aan de wanden hangen doeken waarop stoelen leven, instorten, druipen, dansen en verstenen. Naast hen, enkele meters verder, een teakhouten stoel die een sculptuur wil zijn. En ergens in een historische stijlkamer: een gelakte armstoel uit 1915 met een kussen van paardenhaar, die al meer dan een eeuw wacht op iemand die er niet in gaat zitten.
De lege stoel is het oudste symbool van afwezigheid dat de beeldende kunst kent. Ida Barbarigo wist dat. Finn Juhl wist het, op zijn eigen, Deense manier. Seizō Sugawara wist het al in 1915, in een Parijs atelier ver van huis.
En Keith Haring? Die schilderde in januari 1987 een figuur die danst alsof hij niet kan ophouden. Alsof stilzitten gevaarlijk is. Alsof de stoel het laatste is wat hij wil.
Misschien is dat ook een antwoord.
TEFAF New York 2026 loopt van 15 tot 19 mei in de Park Avenue Armory, New York. Previewdag voor collectors op uitnodiging: 14 mei. Meer info: tefaf.com
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
