Zeven jaar is in de kunst soms een generatie. In 2019 trof ik Call Me Frank aan in zijn woning omringd door inspiratieboekjes en plexiglazen gezichten die het licht weerkaatsten als vlak water. Hij schilderde onbekenden – Jane en John Does – en borg de mindere werken genadeloos op in de kelder. Een man met een methode, een alter ego en een zelfvertrouwen dat hij zorgvuldig had afgeschermd van de rest van zijn leven.

De deurbel luidt hetzelfde, maar ditmaal is het zijn zoontje Oscar dat de deur voor me opent. Het atelier op zolder heeft een ander materiaal gevonden: houtfineer, met jaarringen die decennia in zich dragen. De plexiglazen distantie is ingewisseld voor de warmte van een getuigenis. Dat zijn geen kleine verschuivingen – dat zijn de sporen die een leven nalaat in een lichaam, of in dit geval: in een oeuvre.

Wat me trof bij ons gesprek was hoezeer de antwoorden van toen nog steeds de juiste vragen stellen. Hij zei in 2019 dat succes met werk dat je niet graag maakt, geen succes is. Hij herhaalt het in 2026, maar nu klinkt het minder als een motto en meer als een verworven zekerheid – het soort uitspraak dat niet meer verdedigd hoeft te worden omdat het eenvoudigweg waar is geworden.

Human Nature is de naam van de nieuwe serie. Anonieme personages, nu met echte namen. Ruggen naar de kijker gekeerd. Een verstild moment van oprechtheid, zo omschrijft hij het zelf. Ik vind dat een eerlijke definitie van wat kunst kan zijn op haar best: niet het bewijs van een kundige hand, maar het fysieke bewijs van een vluchtige emotie. Het hout weet dat al langer dan wij.

Dit is geen terugblik. Dit is een gesprek met iemand die onderweg is.

Van plexiglas naar houtfineer: wat is er gebeurd? Zeven jaar geleden zei je dat je elk jaar een nieuwe techniek wou leren. Was de overstap naar hout een bewuste beslissing of eerder iets wat zich opdrong?

Elke jaar een nieuwe techniek leren heb ik lang volgehouden. Heerlijk om direct met zo’n jong en naïef antwoord geconfronteerd te worden. De overstap naar hout was een organisch antwoord op een veranderende artistieke behoefte. Plexiglas voelde te afstandelijk voor de verhalen die ik wilde vertellen. Na een periode van reflectie, waarin ik veel tijd in de natuur doorbracht, verschoof mijn focus naar de tastbaarheid van hout. Voor mij is houtfineer niet zomaar een materiaal, maar een getuigenis. De natuurlijke tekening in het hout vertelt het verhaal van groei en weerstand, en dat resoneert perfect met de interne dialoog die ik in mijn personages zoek.

Plexiglas was koel, synthetisch, transparant. Hout ademt en heeft een eigen verleden. Wat verloor je, wat won je? Het materiaal bepaalt de taal van een werk. Hoe heeft die verandering jouw beeldtaal herschreven?

Ik heb niets verloren, ik heb ruimte gewonnen voor een nieuw verhaal. Plexiglas en hout horen bij verschillende hoofdstukken in mijn leven. Die innerlijke verandering maakte een nieuwe beeldtaal noodzakelijk. Ik weiger mezelf vast te leggen op één materiaal puur voor de herkenbaarheid; het idee bepaalt bij mij altijd de materie. Mijn artistieke signatuur blijft aanwezig, maar de manier waarop ik die uit, beweegt mee met mijn eigen groei.

De serie heet Human Nature maar het zijn toch weer portretten van anonieme mensen. Zijn het nog steeds Jane en John Does? Of heeft de naamgeving – Liam, Dahlia, Anaïs, Lucas – iets veranderd aan jouw relatie met de afgebeelde?

De overgang van anonieme titels naar echte namen is een bewuste keuze om de menselijkheid te benadrukken. Eerder werk was extravert en vroeg om aandacht; de huidige serie Human Nature is introvert. Ik beeld de personages met hun rug naar de kijker af zodat deze achter hen komt te staan in plaats van tegenover hen.

Deze personages zoeken niet een toeschouwer; ze tonen een pure onbevangenheid. Omdat ze de kijker niet aankijken, ontstaat er een verstild moment van oprechtheid. De dynamiek verandert van ‘bewonder mij’ naar ‘wees hier even bij mij’. Ze nemen geen houding aan om zich aan de buitenwereld te presenteren; hun lichaamstaal wordt gedicteerd door hun gedachten. Wat je ziet is een onbewaakt moment van oprechtheid, het fysieke bewijs van een vluchtige emotie of herinnering.

Het houtfineer heeft een eigen nerf, een eigen tekening. Werk je mét of ondanks die structuur? Hoe bepaal je welk stuk fineer bij welk gezicht past?

Ik werk altijd met de structuur van het hout, eveneens is de kleurtoon en structuur belangrijk. Het vinden van het juiste stuk fineer is een heerlijk proces: de richting van de nerven kan een cruciaal verschil maken in het accentueren van een houding. Ik zie de tekening in het hout als penseelstreken die de natuur al voor mij heeft gecreëerd over tientallen jaren, ik kies enkel waar ze komen.

Net zoals tijd en omgeving de groei van een boom bepalen, zo vormen ze ook ons als mens. Ons brein is een product van zijn omgeving, en die invloeden laten sporen na in onze fysiek. Je kunt een houding veinzen, maar zodra een echte gedachte of emotie het overneemt, valt de pose weg. Het is precies dat moment, waarop het lichaam samenvalt met de interne dialoog, dat ik wil vastleggen.

In 2019 zei je dat je geen aanpassingen kunt doen bij plexiglas. Geldt dat ook voor hout? Of geeft dit materiaal meer of minder ruimte voor herstel en toeval?

Hoewel hout technisch gezien meer ruimte biedt voor correcties, doe ik dat zelden. Mijn jaren met plexiglas hebben me geleerd dat een werk op een bepaald moment simpelweg ‘af’ is, ongeacht het resultaat. Dat proces heeft me een groot zelfvertrouwen gegeven, ik geloof niet dat een matig werk door eindeloze aanpassingen plotseling een sterk werk wordt. Het wordt hoogstens marginaal beter, maar de ziel ontbreekt dan vaak. Aanvaarding is een essentieel onderdeel van het vak. Er blijft altijd een onverklaarbare magie bestaan, je kunt het materiaal en de techniek nog zo goed beheersen, soms valt alles samen en soms net niet. Die onvoorspelbaarheid is precies wat elk volgend werk weer spannend maakt.

Je woont en werkt in Gent, in je woning. Wat betekent het om thuis te werken in de meest letterlijke zin? Is de grens tussen leven en atelier er nog?

De grens is voor mij heel fysiek, het atelier bevindt zich op zolder, alles daaronder is privé. Beneden leef ik als een doorsneeman, daar vergaar ik de emoties, frustraties en zaligheden die ik vervolgens mee naar boven neem om te uiten in mijn beeldtaal. In mijn atelier bezit ik een bijna onverantwoord zelfvertrouwen. Daar weet ik feilloos wat goed of slecht is en wat ik wil vertellen. Beneden heb ik die stelligheid niet nodig, en dat is maar goed ook. Bij mijn lief, zoon en mijn vrienden wil ik juist kwetsbaar zijn. Zij verdienen het om me helemaal te zien, niet alleen de zelfverzekerde kunstenaar.

Die rotsvaste overtuiging boven heb ik echter nodig om diezelfde kwetsbaarheid naar de buitenwereld te kunnen vertalen in mijn werk. Het is een schizofrene dynamiek die voor beide werelden van belang is. Hoewel het atelier in mijn hoofd zelden zwijgt, is een dag pas geslaagd als ik minstens twee of drie uur fysiek boven ben geweest. Pas dan vinden de ideeën rust en kan ik er weer volledig zijn voor mijn gezin.

Human Nature stelt expliciet de vraag naar de relatie tussen mens en natuur. Maar het zijn stadsportretten, geen landschappen. Waarom toch die titel? Wat is voor jou de natuur in deze werken?

Ik zou deze werken niet omschrijven als stadsportretten. Door houtfineer te gebruiken, haal ik de natuur letterlijk in het portret. De tekening van het hout symboliseert de sporen die het leven bij ons nalaat. Enerzijds is er de letterlijke link: ik gebruik materiaal dat rechtstreeks uit de aarde komt om mijn personages kracht bij te zetten. Anderzijds gaat ‘Human Nature’ ook over onze essentie. Het is de optelsom van onze genetica en onze ervaringen. Ik ben gefascineerd door hoe wij als mensen navigeren tussen onze aangeboren driften en de invloeden van buitenaf.

Je bewonderde Cattelan om zijn vermogen om moeilijke thema’s te brengen met een glimlach. Zit er ook een glimlach in je werk of is de toon ernstiger geworden?

In de loop der jaren zijn de verschillende kanten van mijn werk meer gescheiden geraakt; ik zoek niet langer naar een verzoening tussen het serieuze en het clowneske. Het zijn twee aparte, compromisloze disciplines geworden. Onder het alter ego pessimisticallyoptimisticfrank maak ik mijn cartoons/illustraties en kleisculpturen, terwijl mijn emotioneel geladen werk onder call me frank valt. Die scheiding geeft me paradoxaal genoeg meer vrijheid. Ik kan in beide uitersten veel verder gaan zonder de toeschouwer in verwarring te brengen. Hoewel ik de manier waarop Cattelan die werelden verbindt nog steeds bewonder, heb ik aanvaard dat mijn pad anders is.

De kunstmarkt verandert snel. Hoe is jouw positie als kunstenaar de voorbije zeven jaar geëvolueerd, qua galeries, publiek, prijzen?

Eerlijk gezegd sta ik ver af van de zakelijke kant van de kunstmarkt; ik focus me liever op de inhoud. Ik las onlangs dat er een groeiende beweging is van verzamelaars en musea die terugkeren naar het ‘zichtbaar menselijke’ in de kunst. Dat voelt logisch. Als tegenreactie op AI en de gepolijste, machinale fabriekskunst, snakken we weer naar de hand van de maker.

AI kan een hyperrealistische cross-over maken tussen Harry Potter en Balenciaga, maar er blijft een voelbaar gemis. Het is te gemakkelijk. Ik wil de overtuigingskracht voelen van een groep mensen die zó in een idee geloven dat ze samen aan de pipokar trekken, ook al vragen ze zich halverwege af waar ze in hemelsnaam mee bezig zijn. Die menselijke toewijding en de twijfel die daarbij hoort, dat is wat een werk ziel geeft. Dat is ook zo met beeldende kunst, wij mensen willen worsteling en overtuigingskracht voelen. Tijdloze kunst ontstaat uit die unieke combinatie van een bezield concept en een doorleefde uitvoering.

Je zei ooit: blijf trouw aan wat je goed vindt, succes met werk dat je niet graag maakt is geen succes. Sta je daar nog steeds achter?

Ik sta daar meer dan ooit achter. Succes met werk waar je hart niet meer in ligt, is een holle overwinning. Hoewel het plexiglas mijn signatuur was, voelde de overstap naar houtfineer als een bevrijding. Ik herken weer die gezonde geldingsdrang van vroeger: het gevoel dat de wereld dit werk simpelweg moet zien. Nu ben ik ouder en misschien minder arrogant, maar de noodzaak om dit te delen is sterker dan ooit. Ik ben ervan overtuigd dat mensen zullen resoneren met deze werken. Ze leven, ze spreken, en ze dwingen tot vertraging. Ik geloof ook nog altijd dat de toeschouwer die oprechtheid voelt; het plezier dat ik heb in het atelier vertaalt zich direct naar het werk.

Je alter ego heet Call Me Frank, een naam die openheid en directheid belooft. Maar je schildert anonieme gezichten. Is er een spanning tussen die naam en wat je maakt?

Ik voel geen spanning, de naam Call Me Frank is voor mij nog steeds de vlag die de lading dekt. Ook in mijn kwetsbaarheid tracht ik onvoorwaardelijk eerlijk te zijn. Verbinding ontstaat pas wanneer je de ander écht binnenlaat. Ja, die openheid maakt je kwetsbaar voor zij die er misbruik van willen maken, maar een gereserveerd leven is voor mij geen alternatief. Mijn neiging om alles tot op de bodem uit te zoeken, kan de communicatie soms bemoeilijken; ik neem geen genoegen met halfslachtige antwoorden. Dat voortdurende bevragen is misschien vermoeiend voor mijn omgeving, maar het is geworteld in diezelfde directheid die mijn naam belooft. Mijn werk mag dan anonieme personages tonen, de emotie erachter is altijd ‘Frank’.

Die fantasie ligt inmiddels ver achter me. Naarmate ik ouder word, merk ik dat ik de goedkeuring van anderen minder nodig heb; dat is de zelfverzekerdheid die ik in de loop der jaren in mijn atelier heb opgebouwd. Als ik Cattelan vandaag zou ontmoeten, zou het niet langer voor een interview zijn. Ik zou nog steeds met hem willen praten over humor en kunst, maar dan liever met een pint en een pizza erbij. Ik ben ervan overtuigd dat we het goed met elkaar zouden kunnen vinden, maar de noodzaak dat hij mijn werk legitimeert, is verdwenen. Het blijft voor mij een held, iedere keer als ik zijn werk zie, zie ik een gelijkaardige ziel.

In 2019 stelde je je voor dat Cattelan jou interviewt en zegt dat hij fan is van je werk. Als je die dagdroom vandaag opnieuw zou hebben, is het nog steeds deze kunstenaar? Of iemand anders?

Je werkt met het gezicht van de ander, maar nooit met je eigen gezicht. Waarom geen zelfportret?

In alles wat ik maak zit een stukje van mezelf, ook al is dat visueel niet direct zichtbaar. Mijn behoefte aan zelfportretten vervul ik nog in mijn cartoons, waar ik de rol van de nar aanneem, een masker dat me beter past. Ik heb een diepe afkeer gekweekt over de jaren van het idee om mezelf als het morele middelpunt of als een bron van wijsheid te presenteren. Hoewel mijn werk voortkomt uit mijn persoonlijke emoties, wil ik die niet opdringen. Ik ben een zoeker, geen verkondiger. Mijn gezicht hoeft niet langer in het werk te zitten om mijn aanwezigheid voelbaar te maken.

Houtfineer komt van een levende boom. Er zit een doodsdatum in het materiaal. Denk je daar ooit aan terwijl je werkt?

Zeker, ik werk vanuit een diep respect voor de oorsprong van het materiaal. In plaats van het hout te dwingen in een vooropgesteld kader, laat ik het fineer de afmetingen van mijn werk bepalen. Geen enkel portret heeft een standaardmaat, simpelweg omdat ik elke centimeter van dit unieke patroon wil benutten. Het minimaliseren van verlies is voor mij een vorm van respect. Het feit dat dit materiaal ooit leefde, dwingt me tot een bewuste en zuinige werkwijze. Het is een voorrecht om de unieke tekening en geschiedenis van wat ooit een boom was, te mogen verweven met mijn eigen menselijke verhalen.

Stel dat een werk niet verkocht raakt, wat gebeurt er dan mee? Verdwijnt het naar de kelder, zoals je vroeger deed?

Ik bewaar enkele vroege stukken in mijn atelier, werken uit de periode waarin ik de techniek nog aan het perfectioneren was. Ik kan dit hout niet zomaar wegdoen of in een kelder wegstoppen; mijn band met dit materiaal is daarvoor te groot. Hoewel ik bedachtzamer werk dan vroeger, ben ik ook vele malen kritischer: een werk dat niet aan mijn eigen standaard voldoet, krijgt het publieke oog nooit te zien. Dergelijke stukken zijn genadeloos gedoemd tot een bestaan in het atelier, maar ik blijf er wel zorg voor dragen. Ze herinneren me aan het proces.

Je woning is tegelijk je atelier. Als iemand op bezoek komt, niet als koper, niet als journalist, gewoon als vriend, kijkt hij dan anders naar je werk dan jij zelf?

Eigenlijk hebben mijn vrienden en ik het zelden over mijn werk; ik kan niet zo goed overweg met complimenten. Maar in alle eerlijkheid praten we meer over de dingen die er echt toe doen: de liefde, het leven en onze vriendschap. Heel af en toe wordt er een specifiek werk aangehaald, maar alleen als het thema van dat werk toevallig aansluit bij ons gesprek van dat moment. Daar blijft het dan ook bij.

Is er een werk dat je gemaakt hebt en dat je eigenlijk nooit had willen verkopen?

Alles moet weg! Eens het gemaakt is, is het uit mijn systeem en heb ik vrede, voor even. Ik maak mijn werk omdat ik niet anders kan, het is een innerlijke drang die eruit móét. Verkoop stelt me in staat om professioneel door te gaan. Hoewel ik de commerciële kant van het vak nog steeds vreselijk vind, waardeer ik de live dialoog die een expositie teweegbrengt. Het is de enige plek waar je echt contact maakt met de toeschouwer en gelijkgestemden kan vinden.

Maar als je vraagt naar dat ene werk dat ik nooit had mogen laten gaan? Dan is het die kleisculptuur van een hotdog met tattoos en een Prins Albert. Dat stuk had ik achteraf gezien liever voor mezelf gehouden.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder