Marina Abramović: Balkan Erotic Epic. The Exhibition – Gropius Bau, Berlijn,
15 april – 23 augustus 2026

Ik doe niet mee aan de hyperbolen over Marina Abramović. Niet aan de lofzang die haar als levende legende inschrijft in elk stuk dat over haar verschijnt, en evenmin aan de tegenreactie die haar reputatie verdacht vindt precies omdat ze zo groot is. Beide houdingen zijn luie houdingen. Ze ontheffen de schrijver van de plicht om te kijken. En ik ben naar de Gropius Bau gegaan om te kijken.

Wat ik daar zag, stelde teleur. Niet op de manier waarop slechte kunst teleurstelt – door onverschilligheid of armoede – maar op de manier waarop grote kunst kan teleurstellen als ze zichzelf begint te herhalen.

Stel je voor: kwart over twee. Een jongeman ligt naakt op het podium van een witte zaal in de Gropius Bau, een skelet op zijn borst. Hij ademt. Het skelet beweegt mee, op en neer, met de regelmaat van iemand die weet dat hij tot vier uur moet volhouden. Aan de muur een bordje met de openingstijden van de performance: dagelijks, 14u00–18u00. Naast de nooduitgang een kleine rode brandblusser. Alles klopt, maar is te voorbereid. Te clean.

Dat is het moment waarop ik begreep wat er mis is met Balkan Erotic Epic. The Exhibition: het heeft de dood willen programmeren, maar is blijven steken in herhaling.

Ik hoef niets meer te bewijzen

Marina Abramović is tachtig. Dat feit circuleert in vrijwel elk persbericht over deze tentoonstelling, doorgaans als bewijs van vitaliteit. En inderdaad – wie op tachtig een expo van tien zalen en een vier uur durende theaterproductie op poten zet, verdient respect voor de energie alleen al. Maar in een recent interview met de Catalaanse krant Diari Ara zei ze iets dat onbedoeld als een sleutel tot deze expo fungeert: ze is tachtig, zestig jaar bezig met kunst, en hoeft niets meer te bewijzen.

Het is een uitspraak die je haar niet kwalijk kunt nemen. Ze heeft gelijk. Maar ze heeft ook, zonder het te beseffen, de zwakte van Balkan Erotic Epic. The Exhibition in drie zinnen samengevat. Want een kunstenaar die niets meer hoeft te bewijzen, neemt geen risico meer. En risico – werkelijk risico, de bereidheid om iets te verliezen – was altijd het fundament van haar werk. Vanaf Rhythm 0 in 1974, waarbij ze bezoekers 72 objecten ter beschikking stelde om haar mee te doen wat ze wilden, tot The Artist is Present in 2010, waar de uitputting van het lichaam de conceptuele kern was. Haar kracht lag altijd in de onzekerheid over de uitkomst. In wat er kon gebeuren.

In de Gropius Bau kan er niets meer gebeuren

De expo opent veelbelovend. In het atrium hangt Tito’s Funeral (2025), een videoprojectie op groot formaat van rijen zwartgeklede vrouwen die zich op de borst slaan, ritmisch, bijna hypnotisch, bij de staatsbegrafenis van Josip Tito in 1980. Abramović legt hier een verbinding die genuanceerd is: de collectieve rouwritus als politieke extase, het lichaam als medium voor gemeenschappelijk verlies. De beelden trillen. Er is iets op til.

Maar dan betreed je de eigenlijke zalen, en de spanning loopt leeg als lucht uit een band.

Magic Potions (2025) toont een actrice in witte laboratoriumjas die vruchtbaarheidsrituelen uit de Balkan presenteert in een decor van levensgrote fallische paddenstoelen. Mannen die copuleren met de aarde om de oogst te bevorderen. Vrouwen die hun geslacht ontbloten om regen te stuiten. De toon is wellicht satirisch bedoeld – Abramović parodieert de westerse etnograaf die de Balkan bestudeert als een fascinerende Andere – maar de ironie heeft geen angel. Ze is te netjes, te verklaard, te goed verzorgd. Het persdossier vertelt me dat de kunstenares daarmee ‘de spirituele en ecologische mogelijkheden van belichaamd weten opnieuw toe-eigent.’ Misschien. Maar wat ik zag was een goed geproduceerde komische sketch, gespeeld voor een publiek dat al weet dat het mag lachen.

De kleine neolithische vulvafiguur in het eerste vertrek – een bruikleen uit het Archeologisch Museum van Noord-Macedonië, gedateerd op het einde van het zesde millennium voor onze tijdrekening – is het meest ontroerende object in de hele tentoonstelling. Niet omdat Abramović het gemaakt zou hebben, maar door het feit dat zij hem enkel heeft opgesteld. Het voorwerp heeft duizenden jaren overleefd. Het vraagt niets. Het legt niets uit. Het is er gewoon, compact en onbegrijpelijk en echt. Naast de gesofisticeerde video-installaties eromheen lijkt het te zeggen: jullie proberen het nog steeds te begrijpen, en ik ben het al lang voorbij.

Nude with Skeleton.

Het werk bestaat al sinds 2002. Abramović performde het destijds zelf: naakt op de vloer, een skelet bovenop haar lichaam, inademen, uitademen, het skelet in beweging houden. De intimiteit van leven en dood, fysiek, onontkoombaar, alleen. In 2026 wordt het werk dagelijks uitgevoerd door jonge performers, vier uur per dag, tijdens de reguliere openingstijden.

Ik stel me voor hoe ik in die zaal zou staan. De performer ademt. Ik kijk naar hem. Hij kijkt naar het plafond. Andere bezoekers fotograferen hem met hun telefoon. Iemand fluistert iets. Er hangt een bordje met uitleg. Het skelet beweegt op en neer.

Ik moest denken aan een ander moment in Abramović’s carrière – een dat niets met de Balkan te maken heeft, maar alles met wat performance vermag als het niet geprogrammeerd is. In 2010 zat ze in het MoMA, dagelijks uren lang, tegenover vreemden. The Artist is Present heette dat werk: ze deelde stilte met iedereen die tegenover haar plaatsnam. Op een gegeven moment sloeg ze haar ogen op en zag ze Ulay zitten – haar voormalige partner, haar artistieke dubbelganger van meer dan tien jaar, de man met wie ze ooit met een pijl op haar hart had gestaan. Ze hadden elkaar die ochtend gesproken; maar wat er in die zaal gebeurde, kon niemand hebben geregisseerd. Ze stak haar handen naar hem uit, hij pakte ze.

Het publiek brak de stilte. Toen hij opstond en wegging, veegde ze de tranen van haar gezicht – en de volgende bezoeker nam plaats. Ze ging gewoon door. Dat was het ontroerende: niet de hereniging, maar wat erna kwam. Het werk dat sterker was dan de emotie.

Dat moment had geen bordje nodig. Geen openingstijden. Geen veiligheidsprotocol.

Terug in de Berlijnse zaal: om zes uur staat de jongeman op. Hij trekt zijn kleren aan. Het skelet wordt opgeborgen. Morgen begint het opnieuw, stipt om twee uur. Wat er ontbrak, was niet naaktheid of conceptuele diepgang – die waren er allebei, op papier. Wat er ontbrak was het onvoorziene. De mogelijkheid dat iets anders zou verlopen dan gepland. Dat is geen performance. Dat is dienstverlening.

Kunst die ik begrijp

Het is verleidelijk om dit te lezen als een kwestie van authenticiteit – het origineel versus de heruitvoering, de kunstenaar versus de stand-in. Maar dat is niet mijn bezwaar. Heruitvoeringen kunnen radicaal zijn. Het probleem is structureler: Balkan Erotic Epic. The Exhibition is een tentoonstelling die haar eigen subversiviteit heeft getemd. Ze benoemt voortdurend wat ze doet – het politieke lichaam, de erotiek van de aarde, erotiek en dood – en die benoembaarheid is precies wat haar ontmantelt. Het obscene dat verklaard wordt, is niet langer obsceen. Het ritueel dat tentoongesteld wordt, is niet langer ritueel. Het risico dat geprogrammeerd wordt, is niet langer risico.

Marina Abramović begon haar carrière door bezoekers messen en pistolen in handen te drukken. Nu hangen er naast haar performers brandblussers aan de muur en de nooduitgangen zijn duidelijk gemarkeerd. Ik snap waarom. Maar kunst die ik snap, is kunst die ik al vergeten ben voor ik buiten sta.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder