In mijn vorige column stelde ik dat de hedendaagse kunstwereld steeds vaker gevangen zit in de greep van middelmatigheid. Ik kreeg veel reacties waaruit ik concludeerde dat ik niet de enige ben die met dit gegeven sukkel. Een sluipend gif vult tentoonstellingszalen met werken die veilig zijn, esthetisch verantwoord, maar zelden nog de diepte induiken. De vraag die blijft hangen: hoe breken we daaruit? Wat betekent het om opnieuw ruimte te maken voor kunst die durft?
Het gemis aan risico
Risico was ooit de zuurstof van de kunst. Francisco Goya schilderde zijn Pinturas negras in totale isolatie, visioenen die nauwelijks voor anderen bestemd leken. James Turrell liet ons verdwalen in ruimtes van licht waarin de grenzen van perceptie oplosten. Marina Abramović legde haar lichaam in de handen van het publiek, bereid tot de uiterste consequenties. Hun werk was geen decor, geen troost, maar een confrontatie met het onbekende.
Vandaag overheerst een andere logica: werken moeten er “goed uitzien”, liefst onmiddellijk herkenbaar, snel te consumeren en verkoopbaar in edities. Het gevaar is dat kunst daardoor gereduceerd wordt tot design met een conceptueel sausje. Ze glijdt ons blikveld binnen zonder ons werkelijk te raken, en is even snel weer weg.
Curatoren en instituten: de bewakers van comfort
Curatoren dragen hierin een niet te onderschatten verantwoordelijkheid. Te vaak zie ik tentoonstellingen waarin alles netjes in balans is gebracht, alsof men bang is voor het schokeffect van een dissonant. De scenografie primeert, de catalogus oogt verzorgd, en de werken passen keurig in een esthetisch geheel.
Maar kunst is geen interieuraccessoire. Ze hoeft niet te passen. Ze moet soms zelfs botsen, ontregelen, uit het lood slaan. De vraag die musea en galeries zich opnieuw zouden moeten stellen: durven wij nog ruimtes creëren waar bezoekers ongemak ervaren? Waar ze met vragen naar buiten stappen in plaats van met selfies?
Is abjecte kunst een antwoord?
De Franse filosofe Julia Kristeva beschreef in Powers of Horror (1980) het begrip abject: datgene wat ons tegelijk afstoot en aantrekt, wat vaak flirt met de grens van het aanvaardbare. In de kunst heeft dit geleid tot een traditie die radicaal ingaat tegen elke vorm van esthetische geruststelling. Denk aan Goya’s gruwelijke Saturnus verslindt zijn zoon, aan de verwrongen lichamen van Francis Bacon, of aan Carolee Schneemanns legendarische performance Meat Joy, waarin rauw vlees en menselijke lijven in een orgiastische dans verstrengelden.
Ook recenter blijven kunstenaars dit spoor volgen. Damien Hirst zette in zijn vitrine A Thousand Years de cyclus van leven en dood letterlijk in scène met een rottende koeienkop en zwermen vliegen. Teresa Margolles gebruikt water uit mortuaria om de alledaagse realiteit van geweld tastbaar te maken. Jenny Saville schildert lichamen die tegelijk verleiden en walging oproepen. Het zijn werken die weigeren de kijker op zijn gemak te stellen, die de esthetiek van het mooie verruilen voor een esthetiek van de ontregeling. De lijst met kunstenaars is lang.
Juist in die ontregeling schuilt de mogelijkheid om voorbij middelmatigheid te kijken. Kunst die het abject omarmt, confronteert ons met wat we liever verdringen: dood, verval, seksualiteit, kwetsbaarheid. Ze herinnert ons eraan dat kunst niet gemaakt is om te behagen, maar om te onthullen, ... desnoods op de pijnlijkste manier.
Het publiek als medeplichtige
We mogen daarbij ook onszelf niet uit de wind zetten. Als publiek zijn we even medeplichtig aan de cultuur van middelmatigheid. We vragen om kunst die onmiddellijk spreekt, die hapklaar is en een prettige middag garandeert. Maar kunst is geen fastfood. Ze vraagt tijd, aandacht, soms zelfs frustratie.
Wie nog de moed heeft om voor een schilderij te blijven staan tot het begint te spreken, weet dat de eerste blik vaak misleidend is. Het vergt overgave om een installatie niet enkel als decor te zien, maar als ervaring die ons langzaam binnensluipt. Pas dan kunnen we ontsnappen aan de oppervlakkigheid waaraan we onszelf gewend hebben gemaakt.
Naar een nieuwe moed
De ommekeer zal moed, zweet en tranen vergen. Moed van kunstenaars die weigeren zich te onderwerpen aan de marktlogica en de verwachting van onmiddellijk succes. Moed van curatoren die het aandurven om werk te tonen dat wringt of afstoot. Moed van verzamelaars die niet enkel kopen wat past boven de sofa. Moed van een publiek dat bereid is geraakt te worden, ook als dat ongemakkelijk is.
Misschien moeten we ons herinneren dat kunst niet bedoeld is om ons te bevestigen in wie we zijn, maar om ons uit te dagen iemand anders te worden. Niet om gerust te stellen, maar om de grond onder onze voeten even te laten schuiven.
Epiloog: leven of sterven
Kunst die niets riskeert, sterft langzaam in middelmatigheid. Kunst die durft, leeft – ook al doet ze pijn, ook al roept ze weerstand op. Het is tijd dat we opnieuw kiezen voor die levende kunst.
Niet de veilige middelpuntzoekende kunst die onze wereld tot een spiegelpaleis maakt, maar de roekeloze, radicale kunst die ons dwingt verder te kijken. Want alleen daar, voorbij de tirannie van middelmatigheid, begint het echte gesprek.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Mmmm…oké, maar dan toch niet tot het roekeloos en radicaal alleen gaat om het roekeloze en het radicale. Want dan zijn we terug bij af: het betekenisloze aandacht zoeken. Het komt me zo voor dat je ook naast het pad kan lopen met een monkel in je werk, ironisch en beklijvend zonder daarom de hemel te bestormen. Toch?
Hier wil ik toch wel even iets aan toevoegen. Provocatie ís sinds lang deel van de marktlogica. Misschien zelfs het voornaamste deel.
Duchamp moest voor de promotie van zijn ‘Fountain’stunt nog blauwdruk kopietjes van een publicatie in zijn eigen gefaalde magazine ‘The Blind Man’ op de post doen naar 10tallen andere kranten, tot het tenslotte opgepikt werd omwille van het humoristische en provocatieve gehalte van het verhaal… Om aldus het spectrum van kunstbeleving te verbreden. Daar zat nog werk in en een filosofie achter.
Bij Warhol was ironie reeds het criterium om pop tot kunst te verheffen, en vaak betekent ironie het einde van iets: het is tenslotte zelden meer dan geïntellectualiseerde nabootsing en/of overdrijving.
Nu is er in feite geen noemenswaardig onderscheid meer tussen Gaga’s vleesjurk in de show van veganiste Ellen Degeneres, Ye’s T-shirtprints met Swastika’s, Cattelans ‘Comedian’ en Trumpmemes. Shock en provocatie worden nu algoritmisch uitvergroot in de online aandachtseconomie, polarisatie en collectieve apathie en ennui zijn de consequenties. De nuance is op sterven na dood.
Het zogenaamde ‘genie’ van Comedian is hetzelfde ‘genie’ als dat van Hirst; nu reeds bijna 20 jaar geleden al verdedigde Germaine Greer dit nog als een soort van meta-kunst: kunst over de werking van de kunstmarkt. Inmiddels is het wel duidelijk dat de visie van Greer naïef was, en dus mogen we dit versleten marktcynisme verkleed als ‘inzicht’ toch wel eindelijk de rug toekeren, hoop ik?
Over ‘Comedian’ sprak de SMAK-directeur dat we het werk in de context moeten zien van wie de maker en wat zijn oeuvre is. Maar omtrent de vergulde sculpturale zelfportretten van de voor seksueel misbruik veroordeelde Fabre (no sex no solo) 3 jaar later, moesten we kunst en kunstenaar gescheiden houden. De investeringswaarde van het oeuvre was het glijmiddel dat hem pardoes in die spreidstand deed belanden.
De waarheid is dat zowel Fabre als Cattelan de pop-kitsch van deze tijd zijn, zoals Gaga en Ye bewijzen.
Het werkelijke risico dezer dagen, bestaat erin om de goedkope aandachtszoekerij (niet alleen als shock, maar ook van sexy selfies tot toxic male machogedrag) de rug toe te keren om tijd en ruimte te maken voor de ontwikkeling van een oeuvre, wetende dat de algoritmische logica zulke kunstenaars in de duisternis zal houden. De werkelijke kunstliefhebber, criticus of curator die de algoritmische na-aperij weet te overstijgen, gaat weer op zoek naar de nuance en niet naar weer een andere vorm van spektakel. En hier ben ik het dan wel terdege mee eens: die nuance mag inderdaad schuren. Maar ook subtiliteit is een kunst natuurlijk.
De makkelijke esthetiek en de goedkope provocatie zijn keerzijdes van dezelfde medaille, inderdaad een tirannie van middelmatigheid. Ik garandeer echter dat de nuance als ‘kunst’ uiteindelijk een langer leven beschoren zal zijn.