In de kunstwereld waart een onzichtbare wet rond, een spelregel waar we collectief in meegaan: wie heeft, zal meer gegeven worden. Die gedachte spookte rond in mijn hoofd tijdens de openingsavond van BRAFA. Deze sociale zwaartekracht, het Mattheüs-effect genaamd, ontleent zijn naam aan een bijbelvers uit het evangelie van Mattheüs: “Want wie heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden, ook wat hij heeft.” Pijnlijk accuraat als je het toepast op de wereld van canvas, verf en spotlights.

Het is een mechanisme dat zich in alle hoeken van de kunstwereld genesteld heeft. Kunstenaars die al naam hebben, krijgen de mooiste muren in musea (of in dit geval op galerijwanden), de meest lovende recensies, de hoogste verkoopprijzen. Intussen ploeteren minder bekende talenten in de schaduw, zonder de toegang tot diezelfde mogelijkheden. Is hun werk slechter? Zeker niet. Maar talent zonder zichtbaarheid is in de kunstwereld als een schreeuw in een geluiddichte kamer.

Neem bijvoorbeeld de canon. Elk kunstgeschiedenisboek lijkt een soort gebedboek van de gevestigde orde: Rembrandt, Picasso, Warhol, … Natuurlijk, hun werk is groots, tijdloos, maar hoe vaak moeten we diezelfde namen nog afstoffen voordat we ruimte maken voor zij die aan de rand blijven bungelen? Hoeveel vrouwen, kunstenaars uit de diaspora, of hedendaagse vernieuwers blijven onzichtbaar omdat ze niet de juiste plek, tijd of middelen hadden om gezien te worden?

En de markt? Laten we niet doen alsof daar een zuiver oordeel wordt geveld. Een schilderij van een bekende naam wordt bij voorbaat verhandeld als een aandeel, een investering die alleen maar meer waard wordt. Terwijl de jonge kunstenaar – die zich juist de luxe van experimenteren veroorlooft – nauwelijks kan rondkomen van een galerieverkoop, laat staan een atelierhuur. Het Mattheüs-effect voelt zich hier helemaal thuis: meer krijgt meer, minder raakt minder.

De oorzaak van dit alles? Laat me het een combinatie van angst en gemakzucht noemen. Curatoren, verzamelaars en zelfs wij, het publiek, klampen ons vast aan wat we al kennen. Een Rothko begrijpen we. Een Kusama herkennen we. Maar de naamloze sculptuur op een obscure tentoonstelling? Te riskant. Het is makkelijker om te applaudisseren voor het gevestigde dan te investeren in wat nog niet bewezen is.

Maar kunst leeft van risico’s, van de vernieuwing die juist in de marge ontstaat. Wat als musea hun beleid zouden aanpassen, met bijvoorbeeld een verplicht percentage voor onbekende kunstenaars in hun programma’s? Wat als subsidies niet afhankelijk zouden zijn van eerdere roem? Wat als wij, het publiek, nieuwsgieriger zouden worden, actief op zoek naar wat zich buiten de spotlights bevindt?

Ik preek geen revolutie. Ik besef zelf bij momenten een onderdeel van het establishment geworden te zijn. Het Mattheüs-effect heeft de kunstwereld lang genoeg geregeerd. Laten we stoppen met het herkauwen van wat al bekend is en in plaats daarvan een blik werpen op wat zich onzichtbaar houdt. Want daar, aan de randen van de zichtbaarheid, ligt misschien wel de toekomst van de kunst.

Tot die tijd blijf ik dwalen, langs de galeries en ateliers van zij die nog niet hebben. Want daar woont hoop, en hoop is altijd waard om gezien te worden.

Hoogachtend,

een flaneur die liever kijkt dan knikt


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder