Toen Gregor Samsa op een morgen uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een monsterachtig ongedierte was veranderd. – Franz Kafka, Die Verwandlung (1915)
Kafka schrijft het droog, bijna administratief, alsof de metamorfose een feit is dat registratie vereist maar geen verklaring. Gregor Samsa hoeft niet te begrijpen wat hem is overkomen. Het volstaat dat het gebeurd is.
Twee millennia eerder had Ovidius hetzelfde principe in vijftien boeken uitgeschreven, maar dan in de andere richting: bij hem transformeren goden en mensen met een zekere onvermijdelijkheid, alsof de wereld zichzelf voortdurend herschrijft omdat stilstand ondenkbaar is. Omnia mutantur, nihil interit – alles verandert, niets vergaat. De vormen wisselen, de materie blijft.
Tussen die twee polen – de kosmische vloeibaarheid van Ovidius en de benauwde precisie van Kafka – beweegt de tentoonstelling Metamorphoses in Galerie P.
De tentoonstelling brengt vijftien jonge kunstenaars samen, gecureerd door Artus Mundi, in een ruimte waar de zee zelf al een argument is voor verandering. Wie aan de kust staat, kijkt naar water dat nooit hetzelfde is als een minuut geleden. En toch is dit geen tentoonstelling over het spektakel van de transformatie, maar over haar stilte, over het moment vóór en ná, over de scheur in de gedaante.
Het lichaam als overgangszone
De in Brussel gevestigde kunstenaar Arthur Dufoor focust zich in zijn recentere werk op recyclagemateriaal zoals glas om er nieuwe structuren mee te vormen. Angel hangt als een wezen dat halverwege zijn eigen materiaal vastzit, noch schilderij noch sculptuur, noch aards noch verheven. Dufoor noemt zijn praktijk therapeutisch en dagboekachtig, maar dat onderschat de formele bruutheid van wat hij maakt. De werken zijn niet kwetsbaar, ze zijn rauw. The Monster Alongside Me – lak op staal, klein formaat – heeft de compactheid van een bekentenis.
Quinten Cartrysse stapelt gips. Een schedel met eieren erop. Een paar klompen op een statief. Wat aanvankelijk dadaïstisch lijkt, vertraagt bij nader kijken tot iets ritueels. Cartrysse werkt met een logica van verschuiving: objecten die hun context verliezen en daardoor betekenis winnen. Het ei boven de schedel is niet grappig. Het is eerder een vraag over wat voor en na het andere komt, een vraag die Ovidius stelde en waarop hij weigerde eenduidig te antwoorden. Geboorte en dood niet als tegenpolen, maar als elkaars spiegelbeelden.


Elias Driesen werkt op het snijvlak van performance en beeldende kunst, maar wat hier hangt zijn twee grote doeken – Cowboy 1 en Cowboy 2, elk 100 bij 240 centimeter. De figuren zijn vaag, bijna spookachtig, alsof ze halverwege een handeling zijn betrapt die ze liever hadden afgemaakt zonder getuigen. Er zit iets Kafkaësk in die onbepaaldheid: een lichaam dat aanwezig is maar niet verklaart waarom.
Papytsho Mafolo, geboren in de Democratische Republiek Congo, brengt een dimensie in die de expo urgent en politiek maakt zonder dat het werk zelf programmatisch is. Zijn werk Dame Nature, Trinité toont lichamen die half mens, half dier zijn, figuren die gefragmenteerd zijn zoals de Afrikaanse cultuur zelf gefragmenteerd werd door buitenlandse overheersing. Bij Ovidius is de metamorfose een kosmisch spel; bij Mafolo is ze een historisch litteken. Dat beide registers in dezelfde tentoonstelling kunnen bestaan zonder elkaar op te heffen, is een van de sterkste curatoriële keuzes van Metamorphoses.
Intuïtie, natuur en het innerlijke kind
Tamsir De Halleux tekent en schildert als iemand die het penseel gebruikt om te denken, niet om conclusies te illustreren. Zijn reeks Alleen in het bos ontstaat bijna automatisch – zonder vooraf bedacht plan. De figuren die opduiken zijn archetypisch: de val, geboorte, Adam en Eva. Kafka zou er iets in herkennen. Niet de mythische grandeur van Ovidius, maar de intieme onzekerheid van iemand die ’s ochtends wakker wordt en zichzelf opnieuw moet uitvinden.
Vervolgens is er Abigail Tulis, die in haar Brugse kasteelvertrekken werkt alsof de kunstgeschiedenis en de natuur twee zijden zijn van hetzelfde weefgetouw. Haar inkt- en aquareltekeningen op papier, The Last Meal en Daphne, hebben de precisie van iemand die lang en aandachtig heeft gekeken – naar Edward Burne-Jones, naar John William Waterhouse, naar de zwanen die langs haar atelier zwemmen. Daphne die in een laurierboom verandert: Ovidius schreef het, Tulis tekent het opnieuw, maar bij haar is de metamorfose geen vlucht voor Apollo maar een terugkeer naar iets ouders dan het verhaal zelf. De natuur levert bij haar niet de decors maar de grammatica. Dat ze in de zomer van 2026 deelneemt aan de Biënnale van de Schilderkunst in het Mudel met haar reeks The Lady of Shalott is geen verrassing – haar werk vraagt om ruimte en tijd, en het krijgt ze.
Angélique de Limburg Stirum schildert het vrouwelijk lichaam als een plek van droom en materie tegelijk. Hypnos, Celle qui écoute la mer, Désire Nacré zijn werken die stil zijn maar nooit leeg. De sluimerende figuren bevinden zich in een tussenstaat die Ovidius zou herkennen: nog niet wakker, niet langer slapend, ergens in de overgang tussen twee gedaanten van zichzelf. Dat ze als kind leerde schilderen in het atelier van haar grootmoeder Hélène d’Orléans is in het werk voelbaar. Technische beheersing draagt de zachtheid, ze wordt er niet door verstikt.

“La nacre du songe et ses claires profondeurs” /
“Het parelmoer van de droom en zijn heldere diepten”, 92 x 70 cm I 2026 I Oil on canvas
Lagen, beelden en de tijd die verstrijkt
Rob Vanoudenhoven, ambassadeur van de tentoonstelling, toont collages gemaakt van papieren haar. Strandhoofdjes, geometrische patronen, identiteiten opgebouwd uit lagen. De werken zijn tegelijk speels en ernstig: ze suggereren dat een gezicht niet één ding is, maar een compositie – iets dat gemaakt en herschikt kan worden, zoals Ovidius’ verhalen steeds nieuwe gedaanten aannamen zonder hun essentie te verliezen.
Clément Jacques-Vossen ziet het groots. Zijn Diane, olieverf en acryl op doek, 170 bij 190 centimeter, wordt bevolkt met figuren die uit de kunstgeschiedenis lijken te zijn ontsnapt om zich in een nieuw verhaal te mengen. Een Modigliani-naakt botst op de Diana d’Anet uit het Louvre, omgeven door dieren en symbolen die tegelijk heraldisch en onbestemd zijn. Jacques-Vossen werkt zoals mythologieën werken: door bestaande beelden te herschikken tot ze iets nieuws zeggen, iets dat ze afzonderlijk nooit hadden kunnen uitdrukken.


Victor Gybels fotografeert de zee op A4-formaat en laat haar bijna verdwijnen in licht en atmosfeer. Zijn Sint-Idisbald – een plek aan de Belgische kust die hem naar eigen zeggen diep heeft geraakt – is hier niet als document aanwezig maar als stemming, als visueel akkoord. Dat past in deze ruimte, op deze locatie, waar de Noordzee buiten het raam hetzelfde doet: aanwezig zijn zonder zich te verklaren.
Seppe Vancraywinkel ten slotte fotografeert op analoog zwart-wit: jeugd, vriendschap, het platteland rond Hoegaarden. Zijn langdurig project Within the Bubble of Surroundings is een ode aan een moment dat al voorbij is terwijl het wordt vastgelegd. Fotografie als metamorfose: het levende wordt stil, het tijdelijke wordt permanent, het vergankelijke krijgt een lichaam van papier en zilver.
Randpersonages die het midden houden
Val Smets bewoont het snijvlak van herinnering en mythe. Haar doeken tonen hybride figuren – vermenselijkte planten, nimfen, metamorfische wezens – gevangen in transformatiecycli zonder begin of einde. Smets heeft een indrukwekkend internationaal parcours achter de rug, van Rabouan Moussion in Parijs tot een jaarlange installatie in Kunsthaus Graz, maar in Metamorphoses doet ze iets merkwaardig bescheidens: ze stelt de vloeibaarheid zelf tentoon, niet haar meesterschap erover.
Fran Van Coppenolle werkt sedert 2025 op honingraatkarton dat ze in de vrije natuur beschildert. De kunstenaar Hans Theys omschreef haar als een solitaire wandelaar die elke dag ziet hoe de wereld er anders uitziet. Dat is ook precies wat haar werk doet: het legt geen moment vast, het beweegt mee. Haar schapen op gele grond zijn niet te koop – en dat detail alleen al zegt iets over een kunstenaarschap dat weigert volledig in de marktlogica te stappen.
McCloud Zicmuse is performer, muzikant én pottenbakker, en hij is zijn ritual objects of profound mystery & joy – kopjes, bekers en rituele vormen in gebakken klei – precies wat die naam belooft: gebruiksvoorwerpen die hun gebruiksdoel overstijgen. Zicmuse brengt een dimensie van lichtheid in de tentoonstelling die niets afdoet aan de ernst ervan; hij herinnert eraan dat metamorfose ook feest kan zijn, een klokkopje dat men aan iemand overhandigt als gebaar van samenzijn.
Naud Barbaix, student aan KAZ (Kunstacademie aan Zee) toont een Chinese draak. In het bestek van deze tentoonstelling is dat geen anekdote maar een statement: de metamorfose kent geen minimumleeftijd, en de draak die Barbaix tekende doet precies wat Ovidius altijd beweerde: hij verandert, vliegt en weigert stil te staan.
Gregor Samsa werd wakker als een insect en wist niet hoe terug te keren. De kunstenaars in Metamorphoses stellen die terugkeer niet eens als doel. Ze zijn onderweg, midden in de gedaantewisseling, en dat is precies waar het werk leeft — in het tussenin, in het nog-niet en het al-niet-meer. Ovidius noemde dat de enige constante. Hij had gelijk.
Galerie P., Kursaal, Oostende. Tot 19 april 2026, vrijdag tot zondag, 14–18 uur.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
