Er bestaat een literair genre dat geen prijs wint, geen recensie krijgt en nooit in een bloemlezing belandt, maar dat door meer kunstenaars wordt beoefend dan welk ander genre ook. Het wordt niet bestudeerd aan academies. Er zijn geen masterclasses voor. Het heet de subsidieaanvraag. En het is, bij nader inzien, het meest veeleisende literaire genre van onze tijd.

De flaneur die er voor het eerst kennis mee maakt – iemand die per ongeluk een opengevallen laptop inkijkt in een Antwerpse koffiezaak, op een dinsdagochtend die verder geen bijzondere vermelding verdient – wordt onmiddellijk getroffen door de eigenaardigheid van de taal. Niet de taal van het atelier. Niet de taal van het werk. Een derde taal, een soort code, aangeleerd in de nauwe overgangsruimte tussen droom en formulier, tussen wat het werk wil zijn en wat het systeem wil horen.

“Het project situeert zich op het snijvlak van participatieve praktijken en een kritisch heronderzoek van de publieke ruimte, waarbij de kunstenaar in dialoog treedt met diverse stakeholders teneinde een duurzaam en inclusief traject te bewerkstelligen.”

De laptopeigenaar kijkt niet op. Zij typt verder, weet wat ze doet. Zij vertaalt.

De zelfvertaling

Want dat is wat de aanvraag in wezen vraagt: vertaal uzelf. Neem uw werk – dat misschien begon als een obsessie, een kleur die u niet losliet, een zin die u al drie jaar met u meedraagt – en herformuleer het als een beleidsrelevante interventie met meetbare deliverables en KPI’s.

Geef de jury iets om te verdedigen in een vergaderzaal waar niemand aanwezig is die ooit een penseel heeft vastgehouden. Maak van uw onrust en passie een projectplan. Maak van uw intuïtie een methodologie. Het is een oefening die Kafka zou hebben herkend, ware het niet dat Kafka nooit kunstenaar was en dus nooit in aanmerking zou zijn gekomen, gelet op de vereiste dat aanvragers hun artistieke praktijk aantoonbaar gedurende minimaal drie jaar professioneel hebben uitgeoefend, gestaafd met bijgevoegde documentatie in bijlage C.

De flaneur bestelt een tweede koffie en observeert. Hij ziet hoe de kunstenaar in kwestie – een vrouw van rond de veertig, verfvlekken op haar mouw die ze niet heeft weggewassen of niet heeft opgemerkt of niet heeft willen opmerken – opnieuw begint aan de rubriek “projectomschrijving”: de geforceerde zelfbiografie van een werk dat nog niet bestaat. Beschrijf wat u gaat maken. Licht toe waarom het maatschappelijk relevant is. Beschrijf welk probleem het adresseert.

Alleen, … het werk bestaat nog niet. Dat is precies waarom zij de subsidie nodig heeft. Dit is de paradox die niemand hardop uitspreekt.

De wijk

Dan is er de rubriek “doelgroep”. De kunstenaar – die haar werk maakt met de vage, bijna religieuze hoop dat het werk zelf zijn publiek zal vinden zoals water zijn weg vindt – moet nu een gemeenschap aanwijzen die aantoonbaar baat heeft bij haar artistieke bestaan. Jongeren tussen 18 en 25. Kwetsbare groepen. Bewoners van de betrokken wijk. Er is altijd een wijk. De wijk is onmisbaar. Zonder wijk geen inbedding, zonder inbedding geen meerwaarde, zonder meerwaarde geen subsidie.

De flaneur vraagt zich af of Morandi ook een wijk had. Hij vraagt zich af welke wijk Bonnard had opgegeven. Of de jury die ooit over Cézanne had moeten beslissen hem zou hebben goedgekeurd, gelet op zijn beperkte participatieve ingesteldheid en zijn onduidelijke relatie met de bewoners van zijn omgeving.

De begroting als fictie

De begroting verdient een aparte vermelding. Hier toont de kunstenaar zich van haar meest creatieve kant – in een zin die de flaneur meent zonder ironie, al klinkt hij onvermijdelijk ironisch.

Materiaalkost: 1.847 euro. Waarom 1.847 en niet 1.850? Omdat 1.847 klinkt als iemand die heeft nagedacht. Honorarium kunstenaar: een bedrag dat, gedeeld door het werkelijke aantal uren, uitkomt op iets onder het minimumloon van een land dat de flaneur niet onmiddellijk kan of wil situeren.

Maar: de kunstenaar mag zichzelf betalen. Dit staat letterlijk in de richtlijnen. Het systeem erkent dat de kunstenaar ook een mens is met huur en kosten voor nutsvoorzieningen. In de context van de culturele economie is dit bijna revolutionair.

Q1 tot Q4

Elke aanvraag bevat een tijdlijn in kwartalen, omdat kwartalen de maateenheid zijn van de wereld die de subsidie verstrekt, niet van de wereld die haar ontvangt. Q1: onderzoeksfase. Q2: productie. Q3: presentatie. Q4: evaluatie en disseminatie.

Disseminatie – alsof een tentoonstelling een epidemiologisch fenomeen is: het werk een besmettelijke aandoening, de opening patiënt nul, de bezoekers onbewuste vectoren van culturele meerwaarde. De flaneur overweegt dat dit eerlijk gezegd niet eens het slechtste model is dat hij ooit heeft gehoord.

Noodzakelijk kwaad? Noodzakelijk goed?

De aanvraag eindigt met de vraag die alle andere samenvat: motiveer waarom dit project op dit moment noodzakelijk is. Noodzakelijk. Niet interessant. Niet mooi. Noodzakelijk.

De lat is, op papier, astronomisch hoog. In de praktijk wordt zij gehaald door iedereen die de juiste woordenschat beheerst – en herleid tot de premisse waarop kunst altijd al is gebaseerd: iets dat mensen maken omdat zij niet anders kunnen, en dat systemen financieren omdat zij, soms, op hun beste dagen, begrijpen dat dit ook iets waard is.

De laptop gaat dicht. De vrouw met de verfvlekken betaalt, trekt haar jas aan en vertrekt zonder om te kijken. Buiten regent het licht, het soort regen dat Antwerpen soms produceert als een vriendelijke herinnering dat de wereld groter is dan welk formulier ook.

Zij heeft nog twee weken voor de deadline. Het werk bestaat nog niet. Alleen in haar hoofd en in een vreemde managerstaal op papier.

Wie zich herkent in bovenstaande column, kan altijd eens een kijkje nemen op de website van Cultuurloket.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder