Een impressie van Joël Kermarrec in Galerie P., Oostende – mei 2026

Er bestaat een blauw dat alleen aan de Noordzeekust voorkomt. Geen hemelsblauw, geen marineblauw – iets daartussenin, vochtig en scherp tegelijk. Doorschijnend alsof de lucht zelf slechts een dun vlies is, gespannen over de eindeloze grijsheid van het water. James Ensor kende dat blauw. Léon Spilliaert kende het, die het in zijn werk liet neerdalen als een soort existentiële koorts. En Joël Kermarrec kende het – want hij werd erin geboren, in juli 1939, aan de kust van Oostende.

Joël Kermarrec, portret 2010 © Agathe Kermarrec
Joël Kermarrec, portret 2010 © Agathe Kermarrec

Joëls nicht Julie Kermarrec formuleert het meteen in de openingszinnen van haar licentiaatsthesis over haar oom: Kermarrec keek de wereld in met staalblauwe ogen die de kleuren van de zee weerspiegelden, of waarin het licht zich voor goed genesteld heeft. Het is een zin die je niet zomaar leest en vergeet. Want het blauw van die ogen – het blauw van de Noordzee, van de Oostendse hemel bij valavond, van wat zij à l’heure bleue noemt – keert terug in zijn werk. Niet als kleur alleen, maar als toestand. Een manier van kijken die de werkelijkheid niet vastlegt maar laat vervagen.

Ik denk aan de late reeks Derniers ? regards flamands de nostalgie d’Oostende, gemaakt in 2021 en 2022, met het einde in zicht. Op papier van bescheiden formaat – 42 bij 56 centimeter, soms iets groter – drijven blauwe wolken die geen wolken zijn. Waterverf uitgelopen over het witte blad, een halve maan erin opgehangen, een gezicht dat zich opbouwt uit de nevel. Het blauw hier is niet decoratief. Het is het medium van de herinnering zelf: iets dat vorm aanneemt en zich tegelijk oplost, dat aanwezig is zonder te kunnen worden vastgehouden.

De stad als kleur

Oostende heeft altijd iets blauwachtigs gehad, ook als de hemel grijs is. Het is de weerkaatsing van het water op alles: de gevels, de tegels van de promenade, het licht dat via de zee naar binnen valt en de stad doordrenkt met een koelte die niet meteorologisch is maar optisch. De Oostendse schilders wisten het. Ensor zette het om in carnavaleske ironie, in maskers die het blauw verdreven met felgekleurde hysterie. Spilliaert liet het onversneden staan: die eenzame figuur op de dijk, opgelost in de lucht, met de zee als enige gesprekspartner.

Kermarrec groeide op in dat visuele milieu – en het is Bart Ramakers die in de catalogus bij deze tentoonstelling een beeld ervan schetst op basis van interviews met een tiental Oostendenaren en familieleden van Joël, waaronder de kinderen Yorric en Agathe. Moeder Ninette Labisse was beeldhouwster, oom Félix Labisse was schilder en levenslange vriend van Ensor. Vader Henri Kermarrec was de directeur van boekhandel Corman, een instituut in Oostende. In het ouderlijk huis was het een va-et-vient van kunstenaars, schrijvers, cineasten. Henri Storck, Jean-Louis Barrault, Max Ernst passeerden er. En over al die bezoeken, al die gesprekken, al die doeken en ideeën straalde het Oostendse licht: scherp omdat alles zuiver wordt afgetekend, zacht omdat het doorschijnend is.

Van Oostende naar Parijs

Dat licht nam Kermarrec mee naar Parijs. In 1959 gooide hij zijn toelatingskaart voor de architectuurschool in de Seine en stapte de Ecole Nationale Supérieure des Beaux-Arts binnen. Hij trouwde, hij gaf les, hij reisde naar New York en São Paulo en Tokyo – maar Oostende bleef. Niet als plek om naar terug te keren maar als kleur die hij in zich droeg. Het blauw van de zee in zijn ogen, het blauw van de Oostendse lucht in zijn geheugen, het blauw dat terugkeert op zijn doeken en tekeningen met de hardnekkigheid van iets dat niet vergeten wil worden.

Vier stemmen rond één oeuvre

De catalogus bij deze tentoonstelling is zelf een gelaagd object. Vier auteurs nemen er het woord, en elk legt een andere transparant over het werk.

Baudoin Lebon, de Parijse galerist die meer dan tien jaar lang Kermarrecs werk verdedigde en verkocht, schrijft geen inleiding maar een portret – eerder een elegie. Hij beschrijft een man die in esoterische betogen sprak en schilderijen maakte die men diende te ontcijferen zonder vragen te stellen. Een joker, verscholen in zijn oeuvre, schrijft Lebon: iemand wiens geografische en etnische afkomst hij zelf bijna tot het einde van hun samenwerking niet kende. En dan die familiereis naar Oostende, die achteraf een openbaring bleek – de sleutels tot Kermarrecs persoonlijkheid lagen hier, aan de kust, in de namen Ensor en Labisse en in de boekhandel van zijn vader. Lebon schrijft dit alles op 20 maart 2026, op de drempel van de lente, en je voelt in elke zin de nabijheid van het verlies.

De zorgvuldigheid van een historicus

Bart Ramakers reconstrueert de biografie met de zorgvuldigheid van een historicus en de blik van een kunstkenner. Hij put uit Julie Kermarrecs scriptie – Joël Kermarrec, duizend en één uur van verwondering (2000) – en uit interviews met de kinderen en vrienden, maar hij doet meer dan reconstrueren: hij verbindt de levensmomenten met de schilderkundige consequenties. De herhaalde scheidingen en herenigingen in Kermarrecs jeugd, de vader die terugkeerde uit Büchenwald, de internaatjaren in Tourcoing – Ramakers toont hoe dit alles een diep verlangen naar verbinding schiep, een thema dat centraal zou staan in het werk.

Hij beschrijft Joël Kermarrec als een vaak afwezige vaderfiguur voor Yorric en Agathe die, als hij er was, heel aanwezig was. Hij geeft de teksten de intimiteit van iemand die maandenlang heel dicht met zijn onderwerp heeft samengeleefd. En hij introduceert de vergelijking die de catalogus draagt: Kermarrec en Ensor, twee Oostendenaars die in geen enkele school vallen onder te brengen, maar die deel uitmaken van hetzelfde continuüm.

De stille bron

Julie Kermarrec, nicht van Joël, is de stille bron waaruit de catalogus put. Haar scriptie uit 2000 leverde het biografische fundament, heel poëtisch verwoord, waaruit regelmatig letterlijk wordt geput.

Philippe Cyroulnik ten slotte schrijft de meest essayistische bijdrage: Het zandbed van de herinnering. Hij plaatst Kermarrec in het kunsthistorische landschap van de Vlaamse traditie – van Van Eyck tot Spilliaert, van Magritte tot Broodthaers – en volgt het spoor van Oostende als symbool van innerlijke ballingschap en weemoed. Hij citeert de schrijver Jacques Sojcher, die ooit aan Kermarrec schreef: “Wat verloren is, moet uit zijn geschiedenis verbannen worden om opnieuw verloren te gaan. Je hebt een pact gesloten met het onherstelbare.” En hij besluit met een zin die Kermarrec zelf noteerde in een van zijn schetsboeken, en die ik niet meer kwijtraak: “De mijmering nestelt zich in het geheugen, geeft het vorm en doet het vervagen.”

Wat het blauw verbindt

Derniers ? regards flamands de nostalgie d’Oostende, mixed media op papier, 46 x 61 cm, 2021-22
Derniers ? regards flamands de nostalgie d’Oostende, mixed media op papier, 46 x 61 cm, 2021-22

Er is een werk in de catalogus dat me niet loslaat. Een van de Derniers ? regards – pagina 53 – waarop een blauwe vlek het midden van het papier inneemt als een uitgeblazen hemel, en daarin een witte cirkel zweeft, een volle maan in datzelfde Oostendse blauw, een gezicht aan de rechterkant dat half is opgelost in het wit. Linksonder staat een nar, briljant gekleurd, bijna carnavalesk – een echo van Ensor – en linksboven een zwart vierkant met de letter E erin gedrukt. E van Ensor? E van einde? Of E van een existentie die zichzelf heeft weggestreept?

Het blauw hier doet iets dat ik niet anders kan omschrijven dan: het ademt. Het breidt zich uit en trekt zich terug, het licht beweegt erin zoals het beweegt in de Oostendse lucht op een namiddag in oktober, wanneer de seizoenen kantelen en de kust zijn kleur verandert. Kermarrec heeft dat blauw niet geschilderd – hij heeft het opgeroepen, zoals je een herinnering oproept: onvolledig, verschoven, maar onmiskenbaar aanwezig.

Basso continuo

Cyroulnik schrijft dat Spilliaert van 1974 tot in de jaren 2000 voortdurend aanwezig was in de kern van Kermarrecs werk, als een basso continuo. Ik geloof dat. Maar ik denk ook: het was niet alleen Spilliaert. Het was het blauw dat Spilliaert in zijn werk had gelegd – hetzelfde blauw dat Kermarrec in zijn ogen had – dat zo hardnekkig terugkeerde. Het is de kleur van de zee die nooit helemaal verlaten wordt. De kleur van Oostende in de ogen van een kind dat weggaat en niet terugkeert, maar de stad voor altijd meedraagt in de tint van zijn blik.

Joël Kermarrec overleed op 24 juni 2022. Lang voordat deze tentoonstelling kon openen. Wat hangt in Galerie P. zijn de Derniers ? regards – de laatste blauwe blikken van iemand die wist dat hij keek voor het laatste. Baudoin Lebon schrijft zijn voorwoord op de drempel van de lente. Bart Ramakers reconstrueert een leven. Julie Kermarrec bewaarde de herinnering. Philippe Cyroulnik legde het zandbed bloot. En Kermarrec zelf liet het blauw achter, op papier, als de kleur van alles wat overblijft wanneer de herinnering haar vorm verliest.

Het blauw blijft.

Les trois frères, olieverfschildering op ovalen canvas + blauwe steen, 2000/2002/2004
Les trois frères, olieverfschildering op ovalen canvas + blauwe steen, 2000/2002/2004

Joël Kermarrec, Nostalgie d’Oostende – Galerie P., Oostende, 1–31 mei 2026. Catalogus met teksten van Baudoin Lebon, Julie Kermarrec, Bart Ramakers en Philippe Cyroulnik.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder