Er zijn dagen waarop de stilte niet vanzelf komt. Waarop het scherm het eerste is wat je aanraakt, nog voor de ochtend zijn schaduw heeft rechtgetrokken. Je scrolt, niet uit nieuwsgierigheid, maar uit gewoonte.
Beelden, woorden, stemmen die tegen elkaar botsen. Alles is er, altijd, overal. En toch: iets ontbreekt.

Ik denk aan haar, de muze. Dat ouderwetse woord dat ruikt naar vergeelde correspondentie en viooltjes in een theekopje. Ze komt nooit op afspraak. Verschijnt wanneer je haar niet verwacht, vaak net op het moment dat je ophoudt met zoeken. Ze houdt niet van lawaai, noch van likes. Ze nestelt zich in de rafelrand van een namiddag, het moment waarop het licht langzaam over de vloer glijdt. Je merkt haar pas op als je het scherm vergeet.

In het atelier van een vriend, een schilder die weigert een website te maken, hangt de tijd als stof in de lucht. Hij werkt traag, als een monnik. Zijn werk is geen antwoord, maar een vraag. Soms spreekt hij dagen niet. De stilte daar is niet leeg, maar vol van onuitgesproken dingen. Je hoort de adem van het linnen. Je ruikt de olie, het kaderhout, de echo van een idee dat nog geen vorm wil of kan aannemen. “Inspiratie,” zegt hij, “komt altijd te laat. En dat is goed.”

Misschien heeft het daarmee wel te maken: met de aanvaarding van het wachten. Met het durven verdwalen in een middag zonder plan. Ik herinner me een wandeling in een vergeten buurt van Berlijn, zonder gps, zonder doel. Alleen de geur van warm asfalt, een open raam waaruit de woorden van Alfred Döblin naar beneden dwarrelden, een kat die zich uitstrekte in een streepje zon. De wereld als een schilderij van Hopper, maar dan in de marge. Daar, op dat verloren kruispunt, schreef ik in mijn hoofd een zin die ik later nooit meer kon terugvinden. Misschien was dat de muze.

De muze heeft geen wifi. Ze verdraagt geen haast, geen ruis. Ze weigert zich te laten vangen in pixels of patronen. Haar stem klinkt enkel bij gratie van het ongezegde. Ze woont in boeken zonder bladwijzer, in films die te traag zijn voor streaming, in de stilte tussen twee paragrafen van Berlin Alexanderplatz.

Ze vraagt geen aandacht, ze vraagt aanwezigheid.

In een wereld waar het beeld sneller is dan het blikveld, waar kunst zichzelf moet verklaren in dertig seconden of minder, wordt het moeilijk om haar nog te horen. Alles wil zichtbaar zijn. Alles wil nu. Maar de muze — die kleine weigerachtige geest — fluistert liever. En wie luistert nog naar een fluistering als de wereld schreeuwt?

Misschien is dat wel onze taak — die van de flaneur, de kunstenaar, de dromer: niet roepen, maar zwijgen. Niet zenden, maar ontvangen. Niet zoeken, maar vinden. Op een plek waar geen bereik is.

En als ze dan komt, die muze zonder meldingen, leg dan het scherm weg. Zet thee. Luister naar het schrapen van je vulpen. En wees even helemaal onbereikbaar.

Want sommige zinnen willen niet gedeeld worden. Ze willen alleen bestaan. Stil. Onopgemerkt.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder