Een impressie van het impressionisme, een Belgisch verhaal, in La Boverie, Luik

Een bekentenis vooraf. Ik ben nog niet in Luik geweest. Niet voor deze tentoonstelling, althans. Laat ik daarmee beginnen, want een flaneur die liegt over zijn wandeling is geen flaneur maar een reisbureau. Wat ik van deze tentoonstelling ken, past op een paar pagina's persbericht, gelezen op een woensdagavond met een glas dat langzaam leger werd. Het gebouw ken ik wel. En dat maakt het schrijven vreemder dan ik dacht: ik weet hoe de zalen klinken, maar niet wat er nu aan de muren hangt. De impressionisten schilderden wat het oog ving voordat het verstand het kon ordenen. Ik schrijf wat het oor ving voordat het oog mocht kijken. Een impressie van een impressie, dus. Monet zou er misschien om glimlachen. Pissarro zou vragen wanneer ik eindelijk de trein neem.

Een paleis dat op zijn schilders wachtte

De laatste keer dat ik door La Boverie liep, was het licht er traag. Bill Viola had de zalen in het donker gezet en de tijd uitgerekt tot je hem bijna kon aanraken. Een vrouw werd verteerd door vuur, een man steeg op in een regen van waterdruppels, en het geluid vulde de ruimte tot je borstkas meetrilde. Ik herinner me dat ik het museum verliet met het gevoel dat ik een uur lang naar één seconde had gekeken.

Nu keer ik terug naar hetzelfde gebouw voor het omgekeerde. De impressionisten wilden geen seconde uitrekken, ze wilden hem vangen voordat hij verdween. Een wolk, een weerkaatsing op de Leie, een middagzon die al aan het kantelen was. Viola schilderde met tijd. Monet en Claus schilderden tegen de tijd in. Ik ben benieuwd of de zalen zich die vorige bezoeker nog herinneren, en of het licht er nu sneller zal gaan.

Het neoklassieke museum werd opgetrokken voor de Wereldtentoonstelling van 1905, in een park op een steenworp van het station Luik-Guillemins, die witte walvis van staal en glas. Het werd gebouwd in de jaren waarin het licht van deze schilders nog nat op het doek lag. Sommigen waren al gestorven, anderen schilderden nog volop. Er zit iets ontroerends in die gelijktijdigheid. Alsof het gebouw ruim een eeuw lang een kamer heeft vrijgehouden voor gasten die het al kende. Sinds 2016 leunt er een glazen galerij van Rudy Ricciotti tegen het oude paleis, als een hedendaagse bezoeker die beleefd in de deuropening blijft staan.

Brussel, hoofdstad van het licht

Het persbericht stelt een vraag die meteen ook een kleine provocatie is: wat als het impressionisme ook in België een van zijn grootste verhalen schreef? Wie de geschiedenis een beetje kent, weet dat de vraag retorisch is. Brussel was in de jaren 1880 een draaischijf van de avant-garde, met Les XX en later La Libre Esthétique als salons waar Parijs kwam tonen wat het thuis nog moest verdedigen. Een jonge Gentenaar, Théo Van Rysselberghe, zag in 1886 in Parijs de Grande Jatte van Seurat, haalde haar een jaar later naar Brussel en begon zelf de wereld in stippen op te lossen. De critici sputterden. Hij stipte door. James Ensor stond in diezelfde kring en keek ernaar met de blik van iemand die het licht liever zag ontbinden in maskers en schuim. En aan de Leie zat Émile Claus, die de zon in de Vlaamse velden liet branden tot de koeien er bijna doorschijnend van werden..

Bijna honderdvijftig werken brengen die Belgen samen met Monet, Renoir, Pissarro en Sisley. Ik stel me een gesprek voor tussen twee tafels op een terras. Aan de ene kant de Fransen, die het licht hebben uitgevonden en dat graag laten weten. Aan de andere kant de Belgen, die het licht hebben overgenomen, verbouwd en er een eigen keuken aan hebben toegevoegd.

Rood, geel, blauw

Wat me het meest nieuwsgierig maakt, is de scenografie. De makers beloven een parcours in primaire kleuren, rechtstreeks geïnspireerd op de neo-impressionistische theorieën over het simultaancontrast. Dat is een gedurfde gedachte. Seurat en zijn volgelingen lazen Chevreul en leerden dat een kleur pas echt gaat zingen naast haar tegenpool. Nu krijgen hun doeken, en die van hun minder theoretische voorgangers, zelf een tegenpool aangereikt, in een kleurenparcours dat het oog moet leiden en prikkelen. Het museum wordt een palet waarop de schilderijen de verf zijn.

Ik ben benieuwd of het werkt, of de muren de doeken laten ademen of ze overstemmen. Het persbericht verzekert me dat de hedendaagse ingrepen bewust op de achtergrond blijven en dat de majestueuze zalen voorrang krijgen. Ik geloof het graag. Maar een flaneur gelooft pas echt wanneer zijn schoenen het hebben gecontroleerd.

Zeventig procent

Er staat een cijfer in de tekst dat me blijft bezighouden: zeventig procent van de kunstenaars en werken is Belgisch. Twintig Belgische musea leenden werk uit, en bijna dertig stukken komen uit de eigen collectie van La Boverie. Dat is geen tentoonstelling die met Franse namen op de affiche publiek lokt om het dan stilletjes Belgisch te serveren. Het is omgekeerd: de Franse meesters zijn de uitnodiging, de Belgen zijn het feest. Voor een land dat zijn eigen schilders meestal pas waardeert wanneer ze in een buitenlands museum hangen, lijkt dit bijna een daad van verzet.

Dit is dus een brief vooruit, geschreven aan een tentoonstelling die ik nog moet ontmoeten. Ze loopt tot 29 maart 2027, wat me ruim de tijd geeft om mijn vooroordelen te laten corrigeren door het echte licht. Misschien zal ik dan moeten toegeven dat de primaire kleuren te luid waren, of dat Claus in het echt nog feller brandt dan in mijn verbeelding. Vorige keer leerde Viola me in deze zalen hoe lang een seconde kan duren. Deze keer hoop ik te leren hoe kort. Dat is het mooie aan een impressie. Ze is nooit af. Ze wacht altijd op de volgende blik.

James Ensor, L'Hôtel de ville de Bruxelles, 1885 © Museum voor Schone Kunsten / La Boverie, Stad Luik

Het impressionisme, een Belgisch verhaal, La Boverie, Luik (B)
9 oktober 2026 t/m 29 maart 2027
expo-impressionnisme.com


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder