In deze reeks richt ik me in briefvorm tot een denkbeeldige jonge kunstliefhebber. Niet als leermeester, maar als medereiziger die zijn verwondering en twijfel deelt. Wat volgt zijn geen lessen, wel persoonlijke mijmeringen, herinneringen en ontmoetingen met kunst. Ik schrijf deze brieven om stil te staan, om ruimte te maken voor het trage kijken en het aarzelende denken. Misschien vind je er geen antwoorden, maar wel sporen van hoe kunst ons kan begeleiden in het leven - als uitnodiging tot aandacht, ontvankelijkheid en verwondering.
De brieven verschijnen elke eerste woensdag van de maand.
"De oogst zit niet op het veld, maar achter de ogen." - Kunstflaneur
Lieve (jonge) kunstliefhebber,
De superlatief van hoog is hoogst. Dat weet iedereen. Minder bekend is wat er gebeurt als je dezelfde logica toepast op het woord oog. De superlatief van oog is oogst. Wat je met de grootste aandacht bekijkt of wat je blik het diepst binnendringt, dat oogst je. Taal weet dit al veel langer dan wij.
Het is geen woordspeling. Het is een vaststelling.
De houding van de oogster
Wie door een museum loopt met de houding van een bezoeker, kijkt. Wie er doorheen loopt met de houding van een flaneur, oogst. Het verschil zit niet in de snelheid van de stap of de dikte van de catalogus onder de arm. Het zit in de bereidheid om langer te blijven staan dan nodig is. Om terug te keren naar een werk dat je al voorbij was. Om te wachten tot het licht in de zaal verschuift en het schilderij iets anders wordt dan wat het een minuut geleden nog was. Oogsten is geduldig werk. De boer die te vroeg het veld betreedt, haalt groene korrels binnen. De kijker die te snel doorloopt, neemt ruisbeelden naar huis, oppervlakken zonder gewicht.
De oogst die haar eigen seizoen kiest
Maar er is een complicatie die de landbouw niet kent. De oogst van het oog rijpt soms pas na het bezoek.
Je staat voor een werk en het raakt je niet. Niet echt. Je noteert het, registreert en vormt een oordeel dat je meteen vergeet. Maanden later, in de trein of halverwege een zin die over iets totaal anders gaat, valt het ineens open. Het beeld keert terug, maar nu anders - rijper, zwaarder, geladen met alles wat er tussenin is gebeurd. De indruk had een seizoen nodig dat je haar niet had gegund. Ze heeft het zichzelf gegund, in het donker achter de ogen, zonder jouw medeweten.
Dit is wat het oog onderscheidt van elk ander oogstinstrument: het werkt ook als je het hebt neergelegd.
De schuur van de taal
Taal is de schuur waar dit alles terechtkomt. Niet als archief of catalogus, maar als ruimte waar de oogst bewaard wordt tegen het vergeten en tegelijk verder rijpt. Een zin over een schilderij is nooit alleen een beschrijving van dat schilderij: het is ook het moment waarop de indruk een tweede leven krijgt, een leven buiten de ogen die haar vingen. Schrijven over kunst is de oogst verplaatsen van lichaam naar taal. Van het vergankelijke naar het bewaarbare. Van het ene seizoen naar het volgende.
Vandaar dat schrijven over kunst nooit neutraal kan zijn. Je brengt altijd iets van jezelf mee naar het veld. Je oog is gevormd door alles wat het eerder heeft gezien, elke tentoonstelling een laag op de vorige, elk bezoek een sediment dat de bodem vruchtbaarder of juist vermoeider maakt. De oogst is altijd persoonlijk, zelfs als ze over iets universeels gaat.
Veel zien is niet hetzelfde als veel oogsten
Er zijn kijkers die veel zien en weinig oogsten. Er zijn kijkers die weinig zien en veel oogsten. Het verschil zit niet in de hoeveelheid tentoonstellingen, niet in de kilometers die tussen opening en opening worden afgelegd. Het zit in wat de Engelsen dwelling noemen en waar wij geen goed woord voor hebben - het verblijven bij iets, het toelaten dat een werk de tijd krijgt om zich te ontvouwen. Niet elk werk verdient dat. Maar elk werk dat het verdient, vraagt erom. Het wacht. Het heeft geduld dat de bezoeker vaak niet heeft.
De kunstflaneur - die figuur die dwaalt zonder agenda, kijkt zonder opdracht, schrijft zonder haast - is in wezen een seizoenarbeider van het zien. Hij trekt van veld naar veld, niet om te produceren maar om te vergaren. Zijn gereedschap is zijn blik. De schuur is zijn taal. Zijn oogst is wat overblijft als de opening voorbij is, de catalogus dicht, het gesprek verstomd. Tussen flaneur en glaneur gaagt slechts één letter.
Wat het oog het meest ziet, oogst het.
De rest is wandelen.
Kunstflaneur
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

En de boer, hij ploegde voort…
Heerlijk 😋
Mooi verwoord.