Het is 34 graden en ik ga naar een museum.

Niet omdat er een tentoonstelling is die ik absoluut moet zien. Niet omdat de kunstwereld op mij wacht. Maar omdat het KMSKA een airconditioning heeft, en mijn appartement niet. En omdat "ik ga naar het museum" klinkt als cultuur terwijl "ik ga ergens zitten waar het koel is" klinkt als overgave.

Het alibi

Ik heb dit al vaker gedaan en ben er goed in geworden. Eerst selecteer ik een museum met een goede vaste collectie, het liefst een dat ik al ken, zodat ik niet te veel hoef na te denken. Ik betaal de toegang, haal diep adem bij de ingang waar de koude lucht me tegemoet komt als een belofte. Vervolgens wandel ik binnen met de uitdrukking van iemand die hier voor de kunst is.

Niemand vraagt ernaar. Dat is het mooie.

Wat de hitte doet

En toch gebeurt er iets, en dat is het ongemakkelijke deel van dit verhaal.

Hitte maakt me minder verdedigbaar. De gewoonte om te oordelen, te categoriseren, te vergelijken: ze smelten een beetje weg bij 34 graden. Ik sta voor een werk en denk niet: is dit goed? Ik denk: dit is blauw. Dit is groot. Dit trilt een beetje als ik er te lang naar kijk.

Misschien is dat de eerlijkste manier van kijken die er bestaat. Zonder agenda, zonder context, zonder de last van alles wat ik al weet. Gewoon een mens in een koele ruimte, voor een object dat er al jaren hangt en geduldig wacht op bezoekers die er om de verkeerde reden naartoe komen.

Antoon en Antony

In het KMSKA is het aangenaam 20 graden. Ik weet dit omdat ik er vorige week naartoe ben gegaan met de vastberadenheid van iemand die een medische ingreep ondergaat: noodzakelijk, misschien pijnlijk, uiteindelijk goed voor je. Binnen wacht de vaste collectie, Rubens en Jordaens en al die andere heren die gewend zijn aan aandacht. Deze keer loop ik er achteloos aan voorbij. De airco trekt me dieper het gebouw in, naar de zalen waar het nog stiller is, nog koeler.

En dan zijn er de Gormleys.

Antony Gormley heeft in het KMSKA een aantal van zijn ijzeren mannen geplaatst op plaatsen waar je ze niet verwacht: hoog tegen een muur, verscholen in een nis, roerloos aanwezig alsof ze er altijd al hebben gestaan. Op een normale dag kijk ik ernaar en denk ik na over het lichaam, over aanwezigheid, over de verhouding tussen de menselijke figuur en de architecturale ruimte. Op een dag van 34 graden kijk ik ernaar en denk ik: die man heeft het ook warm.

Er is iets troostrijks aan een ijzeren figuur in de hitte. Hij zweeft niet, hij klaagt niet, hij staat er gewoon. Misschien is dat de les.

Tot de herfst

Binnenkort vertrek ik op reis, noordwaarts, naar landen waar de zomer een ander karakter heeft: koeler, grijzer, minder dramatisch. Ik zal er musea bezoeken omwille van de kunst, of dat zeg ik toch, en ik zal er staan met de concentratie van iemand die niet meer zweet van de warmte.

Maar ik zal weten wat ik nu weet: dat de beste reden om een museum binnen te stappen soms de slechtste is, en dat de koelte je soms verder brengt dan de cultuur.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder