“I think critics are very useful. But I think that they, in a way, betray their position when they stop people looking for themselves.” – Antony Gormley
Het zou een vreemde zin zijn om aan het begin van een tekst te zetten als die tekst niet bereid was hem serieus te nemen. Gormley zei het zelf, ergens tussen het lood en het staal, met die droogheid die Britten reserveren voor uitspraken die eigenlijk dynamiet zijn. De criticus is nuttig – tot het moment waarop hij u, lezer, ervan weerhoudt om zelf te kijken. En daar sta ik dan, met mijn pen, in een museum dat zojuist meer dan honderd werken heeft uitgespreid over zijn zalen, zijn dak, zijn plein en zelfs de kaaien verderop, en ik voel hoe de uitnodiging eigenlijk een waarschuwing is. Schrijf niet wat ik moet zien. Schrijf hoe het voelt om te lopen.
Dus laat ik beginnen met te bekennen wat ik niet ga doen. Ik ga u niet vertellen welke route de juiste is. Er ís een wandelrichting – een lus, ontworpen door curator Carolyn Christov-Bakargiev, die u langs Lean, langs Rodins Gevallen kariatide, dóór Orbit Field III en uiteindelijk Cave in voert om u weer bij het begin af te zetten. Maar een lus is geen bevel. Het is een suggestie met een grondplan. En er zijn, dat is de hele inzet van deze tentoonstelling, evenveel verhalen als er bezoekers zijn.

Een titel die zichzelf tegenspreekt
Laat ik eerst het woord ontleden, want het woord doet hier verdacht veel werk. Geestgrond. De museumteksten vertellen u dat het verwijst naar het zandige, vruchtbare terrein dat na de ijstijd in de Lage Landen ontstond, en dat het tegelijk het spirituele met het materiële verbindt – geest en grond, denken en aarde, het efemere en de aarding.
Het mooie is dat dit eigenlijk niet klopt, en dat het daardoor des te beter werkt.
Want de geologische geest – terug te vinden in Oegstgeest, in Uitgeest, in de Noord-Hollandse bollenstreek – heeft etymologisch niets te maken met de geest die denkt en voelt. Het is een oud woord voor hooggelegen, droge, vaak schrale zandgrond aan de landzijde van de duinen. Sommige bronnen koppelen geest zelfs aan onvruchtbaar en dor. De spirituele geest en de bodemkundige geest zijn vreemden voor elkaar, twee klanken die toevallig dezelfde gestalte aannamen. Een homonymie. Een misverstand met wortels.
En precies dáár wordt het interessant. Want Christov-Bakargiev en Gormley kiezen een titel waarvan de twee helften niet op natuurlijke wijze samen horen, en die wrijving – dat bewust weerbarstige, zoals het persdossier het noemt – ís het werk. Geestgrond verzint geen harmonie tussen ziel en zand. Het dwingt twee dingen die niets met elkaar te maken hebben in één woord en laat u toekijken hoe ze zich tot elkaar verhouden. Zoals een loden lichaam zich verhoudt tot de lucht eromheen. Zoals u zich verhoudt tot de zaal waarin u staat.


Het lichaam dat weet
Gormley werkt al meer dan vijftig jaar aan één vraag, en hij stelt deze onomwonden: wat kan beeldhouwkunst doen, en hoe voelt het om te leven? Het antwoord ligt, telkens opnieuw, in het lichaam. Niet het lichaam als onderwerp dat wordt afgebeeld, maar het lichaam als plek waar kennis ontstaat. Zijn vroege loodafgietsels – Rise uit 1983-84, languit op de vloer; het wijdarmige Field uit 1984-85 – persen de menselijke vorm in dichte materie en laten u hun gewicht voelen voordat u er een gedachte aan kunt hangen. Massa eerst, betekenis later.
Tegenover die zwaarte staan de latere werken: de Domains en Weaves, poreus en schematisch, alsof het lichaam zich heeft opengevouwen tot een web. Een van die Domain-figuren kijkt vanaf de balustrade uit over Antwerpen, tussen negentiende-eeuwse sculpturen in. Een andere staat bij de fontein van Cristina Iglesias op het plein. Nog een aan de rivieroever. Het lichaam is uitgezwermd, de stad in, en toch – Gormley benadrukt het – blijft het altijd met de grond verbonden. Geest en grond. Daar is het woord weer.
En dan is er Attend (2025), dat hier in première gaat: dichte, roestige ijzeren brokken die het lichaam terugtrekken naar de aarde, na al die jaren van ontstoffelijking. Het is, vermoed ik, geen toeval dat Gormley juist nu – in een tijdperk van algoritmes en machine learning, waarin “lichaam” een steeds abstracter begrip wordt – een figuur maakt die zo nadrukkelijk zwaar is. Alsof hij ons eraan herinnert dat we, wat de machines ook beweren te weten, nog altijd vanuit vlees en plek denken.

Een choreografie, geen rondleiding
De zalen zijn opgevat als ontmoetingen, niet als hoofdstukken. Lean leunt tegen de monumentale trap alsof het die overeind houdt. Een eindje verder staat Gormleys Small Stop (Lead) VII tegenover Rodins gevallen figuur – twee manieren om zwaartekracht te belichamen, eeuwen uit elkaar, in gesprek gebracht. Een veertiende-eeuwse Vlaamse kruisiging, Ensors Man van Smarten, een middeleeuwse Sedes sapientiae, een gelast ijzeren masker van Julio González: telkens laat de curator een Gormley naast een collectiestuk staan en houdt ze haar mond. Het gesprek mag u voeren.
Het hart van de expo heet ook zo – The Heart – en is ingericht als een Wunderkammer. Notitieboeken, modellen, foto’s, geannoteerde boeken, tot en met Gormleys schooltijdexemplaar van Miltons Paradise Lost met aantekeningen in de marge. Niet retrospectief, schrijft Christov-Bakargiev, maar introspectief. Het verschil is alles. U krijgt geen carrière voorgeschoteld; u krijgt een blik in het hoofd terwijl het nog aan het denken was.
En dan, aan het eind, Cave (2019): een berg van stalen platen die de hele ruimte vult en u uitnodigt naar binnen te stappen. Daar, in dat donker, stelt het werk zijn slotvraag – waar zit de kunst eigenlijk? In de staalplaten, of in u die ertussen loopt en uw eigen adem hoort? De cirkel sluit zich bij Orbit Field III, en u staat weer waar u begon, behalve dat u iemand anders bent.

Evenveel verhalen als bezoekers
Hier kom ik terug bij Gormley’s premisse, want ze is geen koket retorisch trucje. Een tentoonstelling die u uitnodigt om in een lus te lopen, die haar werken over het dak en de kaaien verspreidt, die u tussen de objecten doorlaat in plaats van u erlangs te leiden – zo’n tentoonstelling kan onmogelijk willen dat iedereen hetzelfde ziet. De wandelrichting is het skelet. Het verhaal is wat ú eraan ophangt.
Mijn verhaal vandaag ging over een woord dat zichzelf tegenspreekt en daardoor klopt. Het uwe gaat misschien over het gewicht van Attend, of over de manier waarop het licht door Orbit Field valt, of over een herinnering die Rise losmaakte zonder dat u erom vroeg. Geen van die verhalen is juister dan het andere. Dat is precies wat Gormley bedoelde toen hij de criticus zowel nuttig als verdacht noemde.
Dus neem deze tekst voor wat hij is: een paar voetstappen in het zand van iemand die voor u liep. En ga dan, alstublieft, zelf kijken.
Antony Gormley. Geestgrond – KMSKA, Antwerpen – 23 mei tot en met 20 september 2026.
Gecureerd door Carolyn Christov-Bakargiev.
Catalogus bij MER Books vanaf 26 juni.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
