Over de biënnale als bedevaart en de selfie als gebed
Er zijn mensen die naar Lourdes gaan voor de genezing. Anderen gaan naar Mekka op bedevaart. En er zijn mensen die naar Venetië gaan voor de Biënnale. De motivatie verschilt, de structuur niet. Men bereidt zich voor. Spaart. Men vertelt het aan iedereen in de aanloop. En eenmaal terug spreekt men erover met de stille autoriteit van iemand die iets heeft meegemaakt wat anderen niet begrijpen.
Ik ken ze. U ook, waarschijnlijk. De kunstpelgrim is geen zeldzaam wezen. Hij of zij verschijnt om de twee jaar, gestut door een vliegtuigticket en een reservering in een B&B in Mestre, want Venetië zelf is te duur maar dat zegt men er niet bij. Men zegt: “Ik slaap iets buiten het centrum, het is rustiger.” Het is niet rustiger. Het is goedkoper. Maar de pelgrim heeft een verhaal nodig, en comfort speelt daarin een bijrol.
De voorbereiding is ritueel. Weken voor vertrek worden de paviljoenen bestudeerd. Welk land doet wat. Wie heeft de gouden leeuw gewonnen. Welke curator heeft een statement gepubliceerd dat al voor vertrek controversieel is. Men leest de preview-artikels in de kunstbladen, de longlist-analyses, de open brieven van kunstenaars die vinden dat ze hadden moeten worden uitgenodigd. Vervolgens arriveert men in Venetië niet als toerist, maar als ingewijde.
En dan begint het lopen.
Want de Biënnale is groot. Groter dan men dacht, altijd weer. De Giardini, het Arsenale, de nationale paviljoenen verspreid door de stad, de satelliet-tentoonstellingen in paleizen en kerken en kelders die men per ongeluk vindt of net mist. De kunstpelgrim loopt gemiddeld twaalf kilometer per dag. Zijn voeten doen pijn. Zijn ogen ook, al zegt hij dat niet. Na het derde paviljoen begint de uitputting. Na het vijfde treedt een soort esthetische verdoving op waarbij alles even indrukwekkend en even betekenisloos aanvoelt. Bij het zevende eet men een te duur broodje op een brug en vraagt men zich heel even af waarom men hier eigenlijk is. Maar dan. Dan is er dat ene werk.
Eén installatie, één video, één object in een slecht verlichte ruimte dat iets doet wat de andere honderdvijftig werken niet deden. Dat stilzet. Dat de vermoeidheid even opschort. De kunstpelgrim weet in dat moment waarom hij gekomen is. Hij staat er lang voor. Langer dan voor al het andere. En hij maakt geen foto.
Dat is het echte gebed. De rest is processie.
De foto’s komen later, en ze komen altijd. Op Instagram verschijnt de pelgrim voor een werk van iemand wiens naam hij morgen niet meer weet. De caption is zorgvuldig. Niet te enthousiast, want dat is naïef. Niet te cryptisch, want dan reageert niemand. Ergens in het midden: een observatie, een vraag, een hashtag. “#labiennale #contemporaryart #venice.” Honderd likes. Drie comments van mensen die er ook waren of er ook naartoe willen. De gemeenschap van de pelgrims bevestigt zichzelf.
Thuis wordt het verhaal verder geslepen. De Biënnale wordt in de herinnering beter dan in werkelijkheid, wat niet erg is want zo werkt herinnering altijd. De vermoeidheid verdwijnt. Het te dure broodje verdwijnt. Wat overblijft is het ene werk, de ene zaal, het moment van stilstaan. En de algehele indruk dat men iets heeft gezien wat telt. Wat echt is. Wat buiten de dagelijkse stroom van beelden en prikkels staat.
En misschien, denk ik soms, is dat genoeg. Misschien is de kunstbedevaart precies wat ze pretendeert te zijn: een onderbreking. Een excuus om te vertragen, te kijken, buiten de eigen context te treden. Dat het gebeurt in Venetië, een stad die zichzelf al eeuwen verkoopt als decor voor de blik van anderen, maakt het niet minder oprecht.
Maar dan denk ik aan Didier – de universele kunstliefhebber – die mij na zijn terugkeer uit Venetië vertelde dat hij “het Belgische paviljoen heel sterk vond.” Ik vroeg wat hem had aangesproken. Hij dacht even na. “De ruimte,” zei hij uiteindelijk. “De manier waarop de ruimte werd gebruikt.”
De ruimte. Altijd de ruimte. De universele vluchtroute van de kunstpelgrim die iets heeft gezien maar niet precies weet wat. Ik knikte. Dacht aan de twaalf kilometer, het te dure broodje, het ene werk voor het hij niet had gefotografeerd. Aan de honderd likes en de zorgvuldige caption. Dacht aan de B&B in Mestre en het verhaal dat het rustiger was. “De ruimte,” herhaalde ik. “Ja. Dat klopte inderdaad.”
Want ook dat is pelgrimage: men keert terug met een antwoord dat groter klinkt dan de vraag. Men heeft iets meegemaakt. Men weet nu iets. Wat precies, dat blijft vaag, maar de vaagheid zelf is het bewijs van diepgang. In Lourdes nemen ze heilig water mee naar huis. In Venetië nemen ze een tentoonstelling catalogus die ze nooit zullen lezen. Het verschil is kleiner dan men denkt.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
