In de lessen poëzie leerden we dat een vers nooit helemaal zegt wat het zegt. Het suggereert, verschuift, vervormt, en laat tussen de regels ruimte voor wat niet uitgesproken wordt. Het geheugen doet precies hetzelfde. Het beweert trouw te zijn aan wat geweest is, maar gedraagt zich in werkelijkheid als een stille redacteur. Het schrapt details die niet passen, voegt accenten toe waar spanning ontbreekt, dramatiseert wat banaal was en verzacht wat te scherp blijft snijden. Zo wordt een gebeurtenis langzaam een verhaal, en een verhaal uiteindelijk een overtuiging.

In de neurologie heet dit verschijnsel confabulatie: het onbewust invullen van hiaten in het geheugen (niet te verwarren met de raging ramblings of DJT). Het is geen bewuste leugen en geen intentionele vervalsing, maar een noodzakelijke correctie. Het brein duldt geen leegte. Waar gaten vallen, bouwt het bruggen. Waar fragmenten blijven zweven, maakt het verbanden. Het creëert samenhang uit losse indrukken omdat chaos ondraaglijker is dan fictie. En wat doet de kunstflaneur anders wanneer hij na een tentoonstelling achter zijn bureau gaat zitten?

De tentoonstelling die achteraf ontstaat

Een tentoonstelling bestaat nooit alleen in de ruimte waarin zij wordt opgebouwd. Ze bestaat ook in de herinnering van wie haar bezoekt, en die tweede versie is zelden identiek aan de eerste. Men herinnert zich hoe het licht viel, hoe de stilte in de zaal bijna tastbaar was, hoe een werk “centraal” in de ruimte hing. Men meent zich een zin van de kunstenaar te herinneren die het hele oeuvre samenvatte, terwijl die formulering pas later in het hoofd van deze luisteraar is ontstaan.

Het geheugen reconstrueert, maar het reconstrueert niet neutraal. Het poetst bij, verscherpt contrasten, maakt van een losse indruk een dramaturgisch moment. Wanneer de flaneur later schrijft, beschrijft hij dus niet simpelweg wat er was, maar wat is blijven hangen en zich heeft vastgezet. Hij schrijft over de tentoonstelling zoals die zich in hem heeft gevormd, niet zoals zij objectief in de ruimte stond. Dat is geen verslaggeving in journalistieke zin, maar een herschepping in taal.

Zo ontstaat ook kunstkritiek: niet uit pure observatie, maar uit hertaling, een ekfrasis van het voorbije moment. Wat ik schrijf, is minder een kopie van wat ik zag dan een echo van wat ik voelde.

Stijl als vorm van confabulatie

We houden graag vast aan het idee van objectieve kritiek, waarin feiten correct worden weergegeven en context zorgvuldig wordt aangereikt. Men noteert de titel, het jaartal, de gebruikte materialen, de curatoriële insteek. Men verwijst naar kunsthistorische precedenten, citeert interviews, situeert het werk binnen een markt of een discours. Dat alles geeft de indruk van precisie en controle.

Toch sluipt er iets binnen zodra de eerste zin vorm krijgt. Zodra een metafoor zich aandient, verschuift de werkelijkheid. Zodra een tekst ritme krijgt, wordt beschrijving interpretatie. Stijl is geen neutrale verpakking, maar een filter die selecteert en structureert. Hij benadrukt bepaalde elementen en laat andere in de schaduw verdwijnen. Wat in de exporuimte misschien gelijkwaardig naast elkaar bestond, krijgt in de tekst een hiërarchie.

Misschien is stijl daarom wel de meest verfijnde vorm van confabulatie. Niet om te misleiden, maar om betekenis te genereren waar de ervaring zelf gefragmenteerd was. Een tekst verlangt naar samenhang, naar een innerlijke logica, naar een spanningsboog die de lezer meeneemt. Wat in de zaal een reeks losse indrukken was, wordt in de tekst een compositie. De kunstflaneur arrangeert wat hij zag zoals een schilder zijn doek ordent: hij kiest waar de nadruk ligt, waar het oog mag rusten, waar het verhaal kantelt.

John Berger en de fragiele waarheid

Het is veelzeggend dat Confabulations ook de titel is van een boek van John Berger. Berger, die bij een breed publiek bekend werd door zijn invloedrijke boek Ways of Seeing, wist als geen ander dat kijken nooit onschuldig is. In Ways of Seeing ontleedde hij de mechanismen die bepalen hoe beelden gelezen worden en hoe macht, context en reproductie onze waarneming sturen. Het idee dat wij simpelweg “zien wat er is”, werd door hem grondig ontmaskerd.

In Confabulations beweegt hij nog vrijer tussen herinnering en observatie. Het boek bestaat uit essays en reflecties waarin dieren, kunstenaars, landschappen en ontmoetingen verschijnen als fragmenten van een groter, persoonlijk weefsel. Berger schrijft niet als een archivaris, maar als iemand die probeert een ontmoeting recht te doen. Wat hij noteert, is zelden louter documentair; het is doordrongen van subjectieve ervaring. Zijn teksten tonen hoe feit en verbeelding zich in elkaar vlechten zonder dat de waarheid daarom verdwijnt.

Berger suggereert dat de waarheid van kunst niet noodzakelijk in exactheid ligt, maar in intensiteit. Een herinnering die licht verschoven is, kan dichter bij de kern van een ervaring komen dan een droge, feitelijke reconstructie. De elegante leugen van het geheugen is dan geen vervalsing, maar een manier om het essentiële te bewaren wanneer het moment zelf al verdwenen is.

De flaneur als professionele verteller

De flaneur beweert te kijken, maar hij wandelt evenzeer door zijn eigen geschiedenis. Elke zaal die hij betreedt, is reeds bevolkt door eerdere tentoonstellingen, gelezen boeken, gevoerde gesprekken en persoonlijke verwachtingen. Geen blik is onbevangen, geen oordeel volledig los van het verleden. Wanneer hij schrijft over verstilling, klinkt daar misschien een persoonlijk verlangen naar rust in mee. Wanneer hij ironisch wordt over de kunstmarkt, schuilt daarin mogelijk een eigen twijfel over waarde en erkenning.

In die zin is de flaneur inderdaad een professionele confabulator. Niet omdat hij bewust verzint, maar omdat hij betekenis zoekt. Hij kan niet anders dan verbanden leggen tussen wat hij ziet en wat hij eerder heeft ervaren. Zijn tekst is een kruispunt van indrukken, herinneringen en reflecties. De tentoonstelling zoals zij op papier verschijnt, heeft misschien nooit exact zo bestaan in de ruimte, maar zij bestaat nu als ervaring in taal.

Is hij daarmee een onbetrouwbare getuige? Misschien wel, als men betrouwbaarheid definieert als fotografische exactheid. Maar als men betrouwbaarheid ziet als trouw aan wat geraakt heeft, dan wordt confabulatie een vorm van eerlijkheid. De lezer verlangt zelden naar een inventaris van wat er aan de muur hing; hij zoekt een tekst die iets oproept, die een innerlijke beweging zichtbaar maakt.

Het geheugen liegt niet uit kwade wil. Het liegt om samenhang te creëren, om datgene wat vluchtig was een vorm te geven. De kunstflaneur doet hetzelfde wanneer hij schrijft. Hij vult hiaten op, verbindt fragmenten en suggereert een logica die de ervaring misschien pas achteraf heeft gekregen. In die beweging schuilt geen bedrog, maar een poging tot verheldering.

De elegante leugen van het geheugen is dus geen misdaad tegen de waarheid. Zij is een vorm van trouw aan wat is blijven hangen, aan dat ene beeld of dat ene moment dat zich niet laat reduceren tot feiten. Niet wat er objectief was, maar wat niet meer verdwijnt, krijgt uiteindelijk een plaats in de tekst. En misschien is dat de enige waarheid waar kunstkritiek aanspraak op kan maken.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder