In deze reeks richt ik me in briefvorm tot een denkbeeldige jonge kunstliefhebber. Niet als leermeester, maar als medereiziger die zijn verwondering en twijfel deelt. Wat volgt zijn geen lessen, wel persoonlijke mijmeringen, herinneringen en ontmoetingen met kunst. Ik schrijf deze brieven om stil te staan, om ruimte te maken voor het trage kijken en het aarzelende denken. Misschien vind je er geen antwoorden, maar wel sporen van hoe kunst ons kan begeleiden in het leven – als uitnodiging tot aandacht, ontvankelijkheid en verwondering.

De brieven verschijnen elke eerste woensdag van de maand.



Schoonheid die wegkijkt, is geen schoonheid. Ze is een alibi. – Kunstflaneur

Lieve (jonge) kunstliefhebber,

Venetië opent morgen haar deuren. De Giardini vullen zich met vlaggen en paviljoenen en kunstenaars uit honderd landen, en ik ben er niet bij. Niet omdat ik niet wil – maar omdat ik bewust heb gekozen om later te gaan. De vernissage is voor de curatoren en de galeristen en de journalisten met deadlines. Ik ga wanneer de stad weer zichzelf is. Wanneer het licht anders valt en de drukte is gaan liggen en je voor een werk kunt blijven staan zonder dat iemand je wegduwt.

Maar ook van ver kijk je. En wat ik zie, is een foto die me niet loslaat.

Het Nederlandse paviljoen – het iconische Rietveldgebouw uit de optimistische naoorlogse jaren vijftig, een monument van glas en licht en openheid – zit dicht. Stalen luiken voor de ramen. Een donkere, gesloten kubus waar architectonische transparantie hoorde te zijn. Het werk heet The Fortress. De maker is Dries Verhoeven. En het is, zo schrijft hij zelf, een poging om de onrust van onze tijd tastbaar te maken binnen de muren van de Biënnale.

Ik bleef bij die foto hangen. Niet om het werk – ik heb het niet gezien, ik kan er niet eerlijk over oordelen. Maar om de vraag die het stelt, ongewild of niet, aan de plek waar het staat.

De Giardini als wereldtheater

De Giardini della Biennale zijn in 1895 aangelegd als permanente tentoonstellingsplaats – een park aan de rand van Venetië waar landen hun eigen paviljoenen bouwen en onderhouden. Het is een van de oudste internationale kunstgebeurtenissen ter wereld, en ook een van de vreemdste.

Want de Giardini zijn ingericht volgens een logica die stamt uit een andere tijd: de logica van het natiestaat-denken, van diplomatieke representatie, van de wereld als een ordelijk geheel van soevereine entiteiten die in vriendschappelijke competitie met elkaar treden. Elk land heeft zijn vlaggetje, zijn stukje grond, zijn gebouw. De beste kunstenaar wint een Gouden Leeuw. Iedereen applaudisseert.

En ondertussen – morgen, op dit moment, terwijl de vernissage plaatsvindt en de champagne wordt geschonken en de curatoren hun speeches houden – is er oorlog in Europa. Zijn er grenzen die sluiten. Zijn er landen die straks vertegenwoordigd staan in de Giardini en elders bommen laten vallen of vluchtelingen terugdrijven naar zee. Ze staan er allemaal. Zij aan zij. In wat Verhoeven en zijn curator Rieke Vos omschrijven als een wereld die doet alsof: landen die in werkelijkheid grenzen sluiten, oorlog voeren of genocide plegen, staan zij aan zij in broederlijke harmonie.

Ik citeer dat niet om een politiek punt te maken. Ik citeer het omdat het een vraag stelt die ik niet kan loslaten: wat betekent het eigenlijk, dat kunst zich in die ruimte begeeft? Wat doet ze daar? En wat doet het met ons – als kijkers, als kunstliefhebbers – dat we die vraag zo zelden stellen?

De onschuld van het kijken

Er is een hardnekkig idee dat kunst neutraal is. Dat ze boven de politiek staat, of ernaast, of erbuiten – een domein van het zuiver esthetische, het ongerepte menselijke, het universele. Het is een mooi idee. Het is ook, als je er lang genoeg bij stilstaat, een onhoudbaar idee.

Want kunst wordt gemaakt door mensen. Tentoongesteld door instellingen. Gefinancierd door overheden en fondsen en verzamelaars. Ze draagt de sporen van de wereld waaruit ze voortkomt – ook wanneer ze die wereld probeert te overstijgen, ook wanneer ze zwijgt over wat er buiten de muren gebeurt. Het zwijgen is ook een keuze. De witte kubus is ook een constructie.

Ik zeg dit niet als aanklacht. Ik zeg het als uitnodiging tot eerlijkheid. Want de Biënnale van Venetië is prachtig. De Giardini in mei zijn betoverend – het licht op het water, de kastanjebomen in bloei, de geluiden van honderd talen door elkaar. Er is iets werkelijk ontroerends aan de gedachte dat mensen van over de hele wereld samenkomen rondom kunst. Die ontroering wil ik niet wegschrijven.

Maar schoonheid die wegkijkt, is geen schoonheid meer. Ze is een alibi.

Wat Verhoeven aankondigt

Het paviljoen is gesloten. Dat weet ik al voor ik er ben. Rietvelds monument voor openheid en naoorlogs vertrouwen – een gebouw dat transparantie als architectonisch programma droeg – draagt nu stalen luiken. Verhoeven maakt van het gebouw zelf een vraag: hoe open zijn wij eigenlijk nog? Hoe open is dit feest, dit park, deze harmonieuze rij van nationale paviljoenen?

Wat er binnenshuis precies gebeurt, zal ik straks zien. Wat Verhoeven belooft is een rauwe, vocale aanwezigheid – performers die geluid maken dat de sociale ontreddering van dit moment uitdrukt, een donkere ruimte die de voorbijganger dwingt te vragen wat er achter die gesloten gevel schuilt. Het gebouw spreekt al voor je naar binnen bent gegaan. En dat, denk ik, is op zichzelf al een artistieke keuze van formaat.

Goede kunst in een ruimte als de Giardini weigert mee te doen aan de fictie. Ze maakt de spanning zichtbaar die de plek normaliter glad strijkt. Ze zegt: hier klopt iets niet, en ik wil dat je het voelt – ook als je er alleen maar langs loopt.

Een vergeten traditie

Er is een voorgeschiedenis die ik je niet wil onthouden. Venetië was, lang voor de Biënnale, al een bedevaartsoord voor wie kunst serieus nam. In de zeventiende en achttiende eeuw maakten welgestelde jonge Europeanen – overwegend Britse en Noord-Europese aristocraten – de zogenoemde Grand Tour: een jarenlange reis door Europa, met Italië als kroon. Parijs, Venetië, Florence, Rome, Napels – dat waren de vijf verplichte parels. Samen maakten ze, zo was de overtuiging, de ontwikkelde mens volledig.

Venetië was voor de meeste ‘Grand Tourists’ de eerste Italiaanse stad – de poort tot het zuiden, tot de klassieke beschaving, en de kunst die Europa groot had gemaakt. Ze bewonderden de architectuur, kochten stadsgezichten van Canaletto als souvenir – schilderijen die thuis de herinnering aan de reis levend moesten houden – en lieten zich in het carnavalgewoel meevoeren op een manier die thuis ondenkbaar was. Venetië was vrijheid. Was schoonheid. Venetië was ook, zoals de Grand Tourists zelf noteerden, een stad van ongebreidelde decadentie en verdorvenheid. Die spanning interesseerde hen. Ze reisden er naartoe ómdat ze er iets zouden tegenkomen wat hen zou vormen, veranderen, misschien ook verontrusten.

Die traditie is vergeten – of liever: vervormd tot iets anders. De moderne Grand Tourist vliegt op een lang weekend naar Venetië, fotografeert de Brug der Zuchten, eet pasta bij een druk restaurant aan het Canal Grande en vertrekt weer. De diepte, de duur, de bereidheid om zich te laten vormen door wat men ziet – dat is verdwenen. We reizen nu om te bevestigen wat we al weten. Om beelden te maken die we al van tevoren kennen.

Maar de kern van de Grand Tour – de idee dat een reis naar kunst je iets moet kosten, dat ze je moet veranderen, dat comfort niet de maatstaf is – die kern vind ik terug in wat Verhoeven belooft. The Fortress biedt geen comfort. Het gesloten Rietveld-paviljoen geeft je niets. Het vraagt. Net zoals de beste reizen vragen – niet om consumptie, maar om aandacht. Niet om herkenning, maar om confrontatie.

De Grand Tourist keerde doorgaans een ander mens terug dan hij was vertrokken. Niet altijd beter. Soms zelfs gedesillusioneerder, minder zeker van de vanzelfsprekendheden waarmee hij was opgegroeid. Maar wel: een mens die had gezien. Die iets had toegelaten wat hem niet onberoerd had gelaten.

Misschien is dat nog altijd de enige geldige reden om naar Venetië te gaan.

Van ver kijken

Ik ga later. En misschien is dat ook goed – het geeft me nu de vrijheid om te denken zonder de overweldiging van het spektakel, zonder de vermoeidheid van de vernissage, zonder de druk om een mening te hebben over elk paviljoen dat ik heb bezocht.

Van ver zie je de contouren. De structuur. De vraag achter het werk, vóór het werk haar eigen antwoorden begint te dicteren.

En de vraag die ik zie, is deze: wat vraagt kunst van ons, als ze ons confronteert met wat we liever niet zien? Niet wat ze ons geeft – troost, schoonheid, verwondering. Maar wat ze vraagt. Of we bereid zijn te kijken. Of we bereid zijn te blijven staan ook wanneer het beeld ons niet ontslaat, maar vasthoudt.

Dat is, voor mij, het eigenlijke avontuur van het kunstkijken. Niet de bevestiging van wat we al weten. Maar het moment waarop een werk de grond onder onze voeten licht verschuift – en we merken dat we anders staan dan een ogenblik geleden.

De Biënnale duurt tot 22 november. Ik zie je daar.

Met stille groet,

Kunstflaneur


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder