Sommige kunstenaars vertellen je exact wat ze bedoelen. Ze verklaren hun werk in theorie, in manifest, in de gesmoorde ademhaling van geciteerde Franse filosofen. En dan is er David Shrigley, die in de introductietekst van zijn tentoonstelling gewoon schrijft: “Ik ga je niet alles vertellen over mijn werk. Ik wil je niet vervelen.”
Ik was meteen verliefd.
Shrigley is een Britse kunstenaar die tekent alsof hij nooit heeft geleerd te tekenen – en dat is precies de bedoeling. Zijn lijnen trillen. De verhoudingen kloppen niet. Zijn personages zeggen dingen die je niet verwacht, en als je er te lang over nadenkt, begint er iets te schuren onder je ribben. Komisch, zeker. Maar ook: ongemakkelijk op de manier waarop een goede grap ongemakkelijk is. Omdat ze iets waars zegt dat je liever niet had geweten.
De man heeft een Order of the British Empire, een hoge Britse onderscheiding voor verdiensten aan de beeldende kunst. Hij heeft een zeven meter hoge bronzen duim omhoog op Trafalgar Square gezet. Hij is genomineerd geweest voor de Turner Prize. En toch rijdt hij in een Toyota, draagt hij een Casio-horloge en kocht hij ooit een meteoriet op eBay om er een hoefijzer van te laten smeden. “Het is niet het beste kunstwerk met een meteoriet,” geeft hij toe. Die eer gaat naar Cornelia Parker, die er een de ruimte trachtte in te schieten. Maar hij vindt het toch vrij goed. “Ik heb de indruk dat niet veel mensen dat met me eens zijn.” En dan: hier is het. Punt.
Voor Dismaland, Banksy’s dystopisch pretpark, maakte hij een kegelspel waarbij je aambeelden probeerde om te gooien met pingpongballen. Het regende pijpenstelen tijdens de installatie. Hij is nooit teruggegaan om het te zien. In de Kunsthal mag je het nu zelf proberen. Veel succes, want een aambeeld omver werpen met een pingpongbal is precies zo kansrijk als het klinkt — en daar gaat het om.
Neem zijn Subtractor uit 2013: een rekenmachine die alleen kan aftrekken. De wandtekst luidt: “Ik denk graag dat dit werk iets dieps zegt. Maar ik weet niet precies wat dat dan is. Dat gevoel heb ik eigenlijk bij de meeste kunstwerken die ik heb gemaakt.” Dat is óf de meest eerlijke uitspraak in de kunstgeschiedenis, óf het meest doordachte kunstwerk ooit. Of beide. Waarschijnlijk beide.
Dan is er Fluff War – zwarte pluisjes die ronddwarrelen in een witte arena, speciaal voor deze tentoonstelling opnieuw in productie genomen. De eerste versie, in een New Yorkse galerie, werkte niet. Het was een vierkant. De pluisjes bleven vastzitten in de hoeken en iemand moest ze constant met een stok terugduwen. Hier zien we een zevenhoek waarin de pluisjes wel vrij spel hebben. “Het was sowieso een vrij dom idee,” schrijft Shrigley. Maar hij maakte het opnieuw. Dat is de Shrigley-methode: falen, toegeven dat je faalde, het opnieuw proberen. Geen drama. Geen redemptie-arc. Gewoon een ronde revisie.
En dan is er nog de tattoëwand: een monumentale wand vol foto’s van mensen die zijn werk op hun huid hebben laten zetten. Onderarmen, schouderbladen, enkels: WHAT THE HELL WAS I THINKING? in bibberige blokletters, voor de rest van je leven. Shrigley zelf zegt hierover dat hij het gevleid, interessant én ronduit raar vindt en dat hij er eigenlijk liever niet te lang over nadenkt. Wat hij er niet bij zegt: dat je zelden een kunstenaar tegenkomt wiens werk zo dicht bij de huid van mensen kruipt. Letterlijk.


What the Hell Was I Thinking? loopt nog t/m 3 mei in de Kunsthal Rotterdam. Boek een ticket met starttijd, want dit is geen tentoonstelling die je even snel doorloopt. Je wilt bij de Extractors blijven staan – vier ventilatoren die het geluid naspelen van Shrigley die een ventilator nadoet – en je wilt uitzoeken of de Clock echt de juiste tijd aangeeft als je je ogen tot spleetjes knijpt.
Doe dat vooral. Knijp je ogen tot spleetjes. Het past helemaal bij Shrigley.
David Shrigley — What the Hell Was I Thinking? Kunsthal Rotterdam, t/m 3 mei 2026. Tickets met starttijd via kunsthal.nl
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
