Het zou een vraag voor een eindejaarsquiz kunnen zijn. Wat hebben Otto Piene, James Ensor en Jan Davidsz. de Heem met elkaar gemeen? Op het eerste gezicht niets. De ene schildert vurige zonnen die vibreren als ademende energievelden, de ander laat dode roggen en grijnzende figuren dansen tussen satire en mysterie, en de derde componeert bloemstillevens waarin overvloed en eindigheid een fragiel evenwicht vormen. Toch delen ze een onverwachte verwantschap: ze vormen alle drie de aanleiding voor gerechten van Matthieu Beudaert, de chef van Tables d’Amis en artist in residence van het KMSKA.
In Chef d’Oeuvre, dat recent bij Hannibal books verscheen, brengt hij drieënveertig kunstwerken uit de museumcollectie van het KMSKA in dialoog met evenveel gerechten. Niet als letterlijke vertaling, maar als interpretatie. Een poging om kunst niet alleen te bekijken, maar te proeven.
Het is een boek dat de blik verlegt: van de museumzaal naar de mond, van pigment naar textuur, van kijken naar ervaren. Wat Beudaert hier doet, raakt aan iets diepers dan het genre van culinaire boeken. Het is een zintuiglijk essay, een fluisterende poging om disciplines te laten samenvloeien, alsof de keuken het atelier wordt dat de kunstgeschiedenis nooit heeft voorzien.
Kunst die overloopt in smaak
Wanneer Beudaert spreekt over zijn parcours, wordt duidelijk dat dit boek geen toeval is. Hij studeerde kunstwetenschappen en volgde tegelijk een koksopleiding. Hij werkte drie jaar als kunsthistoricus in het Museum voor Schone Kunsten in Brussel en stapte pas daarna volledig de keuken in. In 2020 kreeg hij in Sabato een rubriek waarin hij actuele kunstwerken vertaalde naar gerechten, een idee dat de aandacht trok van KMSKA-directrice Carmen Willems en uiteindelijk leidde tot zijn residentie in Antwerpen.
Die dubbele achtergrond verklaart waarom Chef d’Oeuvre zo ver afstaat van het illustratieve. De gerechten lijken niet op de kunstwerken; ze reageren erop. Ze leggen bloot wat onder de oppervlakte sluimert: ritme, warmte, dreiging, sereniteit, beweging. De rode zon van Otto Piene worden bij Beudaert geen bord vol cirkels, maar een combinatie van aardse diepte en hitte, een spel van zachte ronding met een kern van spanning. Ensors dode rog, getekend in de typische mengeling van humor en onbehagen, inspireert de chef tot vis gerookt op hooi, een geur die teruggrijpt naar zijn jeugd op de boerenbuiten. Niet het motief is belangrijk, maar de sensatie. De rog wordt een herinnering, een landschap van geur dat in de mond terug tot leven komt.


En dan is er Jan Davidsz. de Heem, meester van het stilleven. Zijn bloemstukken worden bevolkt door schoonheid en verval, door insecten die de broosheid van het leven benadrukken. Beudaert vertaalt dat schilderij niet met suikerbloesems of patisserie-ornamenten, maar met een eetbaar bloemstilleven. Kruiden en seizoensbloemen worden als een levende compositie op het bord geschikt. Tussen die kleuren en geuren dwarrelt niet de symboliek van de vanitas, maar de letterlijke smaak van gedroogde mieren. Ze smaken naar gember, peper en citroengras, een inzicht dat hij ooit meekreeg van de Braziliaanse topchef Alex Atala. De Heems stilleven wordt daardoor geen nostalgische reconstructie, maar een eigentijdse reflectie op vergankelijkheid, eetgewoontes en de verschuivende grenzen van smaak.
De keuken als atelier, het lichaam als museumzaal
Wat dit boek bijzonder maakt, is dat het kunst niet alleen interpreteert maar activeert. Waar musea traditioneel draaien om afstand – kijken, maar niet aanraken; kijken, maar niet proeven – brengt Beudaert kunst binnen in het lichaam. De tong wordt een nieuw kunstkritisch instrument. Textuur wordt een manier van lezen. Geur wordt een drager van geheugen.
Neem Fritz Wotruba: zijn sculptuur Hoofd – abstract, hoekig, bijna architecturaal – wordt de aanleiding voor een gerecht met schorseneren, niet omdat die groente op het beeld lijkt, maar omdat de vorm eenzelfde compactheid bezit, eenzelfde spanning tussen massa en leegte. Of Lucio Fontana, de man die zijn schilderijen opensneed en daarmee kunst van het vlak naar de ruimte trok. Bij Beudaert resulteert dat in ravioli waarvan de vulling door een snede naar buiten komt: een culinaire echo van Fontana’s gebaar, een kleine performatieve ingreep die de eetervaring ruimte geeft.


Het zijn zulke details die de diepgang van Chef d’Oeuvre tonen. De gerechten zijn niet bedoeld als culinaire bravourestukken, ook al getuigen ze van technische beheersing. Hun kern ligt elders: in het gevoel dat de chef de kunstwerken wil laten trillen in een ander medium. Hij vraagt niet: hoe maak ik dit lekker? Maar: wat gebeurt er wanneer ik dit werk via smaak benader? Die vraag heeft iets onderzoeksmatig, bijna filosofisch. Het boek leest als een proces, een reeks confrontaties tussen kunst en keuken waarbij beide domeinen veranderen.
En dat maakt ook de hobbykok tot deel van het experiment. De recepten zijn helder geformuleerd, toegankelijk zonder hun verfijning te verliezen. Maar het boek is niet ontworpen om blind na te koken. Het nodigt uit tot interpretatie, tot eigen associaties. Tot het ontdekken van wat een vorm of een kleur zou kunnen betekenen wanneer je ze vertaalt naar je eigen bord. Het is een uitnodiging tot gesprek, eerder dan tot imitatie.
Waar kunst en koken elkaar raken
Het zou eenvoudig zijn om dit boek te plaatsen in de traditie van kunst-kookboeken die de voorbije jaren populair zijn geworden. Cooking for Artists van Mina Stone, dat de keuken als sociale sculptuur beschouwt. The Modern Art Cookbook van Mary Ann Caws, dat de culinaire gewoontes van kunstenaars exploreert. Painting the Plate van Felicity Souter, dat visuele dialogen tussen gerecht en schilderij creëert, komt qua opzet dicht in de buurt van Chef d’Oeuvre. Maar bij Beudaert ligt de nadruk niet op de esthetiek, noch op de anekdote. Zijn vertrekpunt is bijna fenomenologisch: hoe werkt dit kunstwerk in op mijn lichaam, welke smaakstructuren roept het op, welk gebaar vraagt het?
Die aanpak maakt van Chef d’Oeuvre een boek dat niet louter toont hoe kunst koken kan inspireren, maar ook hoe koken kunst kan openbreken. Beudaert ziet parallellen tussen schildersateliers en restaurantkeukens, tussen Rubens’ model van leerlingen en de manier waarop sterrenchefs werken met keukenbrigades. Zowel in kunst als in gastronomie draait het om emotie, om handschrift, om het overbrengen van een gedachte of gevoel via materie. Een schilder laat verf trillen. Een chef laat smaken resoneren. De technieken verschillen, de intentie niet.
Chef d’Oeuvre herinnert ons eraan dat kunst geen gesloten domein is, maar leeft in alles wat we kunnen ervaren. De keuken wordt een verlengstuk van de museumzaal; smaak een nieuwe taal, een gerecht een manier van lezen. Het boek suggereert voortdurend nieuwe verbanden tussen zien en proeven en nodigt uit om anders te kijken én te vragen. Zo toont Matthieu Beudaert dat kunst niet enkel in woorden of beelden te vatten is: soms moet je haar proeven. Soms is een gerecht de beste kunstkritiek.
Een uitgave van Hannibal Books: https://hannibalbooks.be/chef-doeuvre-matthieu-beudaert
Hardcover – 224 pagina’s – 27 × 21,5 cm – € 59
Nederlandse editie: ISBN 978 94 9341 650 5
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
