Wat is een beeld als het niet langer gevangen zit in verf of steen? In het werk van Ommery De Zutter is kunst geen resultaat, maar een bevraging. Hij vertrekt vanuit de logica van de architectuur, maar schudt die vervolgens als een slangenhuid af. Wat rest is ruimte die niet langer gebouwd wordt, maar zich ontvouwt, laag na laag, pixel na pixel. Oneindigheid is zijn speelveld. Digitale oneindigheid zijn kompas. Ik sprak hem tijdens zijn expo in de XYZ lounge in Gent.

Je bent opgeleid als architect. Wanneer begon je te voelen dat die discipline niet volstond?
Eigenlijk al heel vroeg. Tijdens het eerste jaar van mijn opleiding voelde ik een weerstand tegenover het traditionele tekenen. Plannen, snedes, het leek me inefficiënt. Waarom blijven hangen in lijnen op papier, als je in drie dimensies kan denken? Waarom blijven schetsen als je het ook kan beleven, al wandelend door een digitaal model? Die manier van kijken, van bouwen in de geest, was voor mij vanzelfsprekend. Het was toen nog geen kunst, maar wel een manier van denken.
Die digitale aanpak moet op enige scepsis gestoten hebben binnen de opleiding?
Zeker. Wat ik maakte in AutoCAD werd vaak als lelijk bestempeld. Er werd gezegd dat ik sfeer miste, de poëzie van het handwerk. Maar voor mij zat die sfeer net in de precisie, in het idee dat ik iets kon tonen dat nog niet bestond. Er was weerstand bij docenten. Begrijpelijk, want ze waren gevormd in een andere methode, een andere beeldtaal. De bevestiging kwam pas later, tijdens mijn masterjaar in Shanghai. Daar zag ik hoe het digitale geen uitzondering was, maar de standaard. Ik stond naast toparchitecten die werkten met dezelfde tools, dezelfde denkbeelden.

Vanaf dan was architectuur niet meer genoeg?
Het was het begin van een zoektocht. Ik stelde me vragen die verder gingen dan het bouwen. Waarom zouden we fysieke gebouwen maken als we in de digitale ruimte álles kunnen doen? Waarom nog een gevel optrekken als we een wereld kunnen oproepen waarin licht en emotie vrij kunnen stromen? Zo begon ik de architectuur als medium los te laten. Het werd iets anders. Eerst was dat vaag. Een gevoel, een intuïtie. Tot ik iets maakte waarvan ik dacht: dit is geen ontwerp meer. Maar is het dan kunst?
Dat woord ‘kunst’ kwam dus niet vanzelf?
Nee. Ik herinner me dat ik een werk naar een vriendin stuurde met de boodschap: “Ik denk dat ik een kunstwerk gemaakt heb.” Het voelde fout binnen de architectuur. Het was niet functioneel, niet logisch, maar had een andere lading, een andere taal.
Je gebruikt vaak het woord ‘oneindigheid’. Wat bedoel je daar precies mee?
Het is een moeilijk woord, omdat het zo snel abstract wordt. Maar wat ik ermee bedoel is de ruimte die ontstaat wanneer je het maakbare loslaat. Met de software waarmee ik werk, kan ik realiteit simuleren op basis van fysische principes: licht, materiaal, reflectie. Maar als ik parameters geef die tegen de limieten aanleunen - een lichtstraal die niet dooft, een energie die blijft stromen - dan gebeurt er iets. Dan voel het alsof ik iets aanraak dat ik zelf niet meer volledig beheers. De digitale ruimte is niet begrensd door tijd of zwaartekracht. Daar ontstaat oneindigheid. Geen eindpunt, maar potentie.

Is dat niet beangstigend?
Soms wel. Er zijn momenten geweest waarop ik er letterlijk angst voor voelde. Want waar eindigt het? Wat betekent creatie als alles mogelijk is? Sommige werken ontstonden vanuit dat gevoel. Zoals De Creatie van Adam, waarin ik onderzocht wat het betekent als er plots bewustzijn ontstaat, sterfelijkheid, een ik. Dat is geen esthetisch onderzoek, maar een existentieel. Dan denk ik: dit is niet zomaar een beeld, dit is een vraag aan onszelf als soort.
Je zoekt de limieten van technologie op.
Altijd. Ik werk met beelden in ultraresolutie, acht miljard puntjes per vierkante meter. Niet om te imponeren, maar omdat ik daar details zie die ik anders mis. Daar, in die kleinste pixel, leeft de grootste poëzie. Dat zie je alleen als het werk groot is. Vijf meter, tien meter. Dan sta je er middenin en word je zelf een schaal.
Je beelden zijn ook fysiek. Waarom toon je ze niet puur digitaal?
Omdat ik wil communiceren. Niet iedereen heeft de taal van technologie onder de knie. Door de werken op fotopapier te drukken, gelamineerd tussen glas en aluminium, creëer ik een tastbare brug. Mensen kunnen dichtbij komen, kijken en stilstaan. Dat fysieke object opent de weg naar de digitale ervaring. En dan vertel ik hoe het gemaakt is, met simulaties, algoritmes en gegenereerde structuren. Dat maakt het werk toegankelijk zonder het te versimpelen.

En dan is er nog de VR-bril.
Die is essentieel. Mijn werk leeft ook in virtuele tentoonstellingen waarin je letterlijk rondloopt. Geen video, geen animatie, maar een ervaring. Je zet de bril op en je staat erin. Geen knoppen, geen menu’s, gewoon onderdompeling. Ik noem het de zonnebrillogica: je zet iets op en de wereld verandert. Het enige wat telt is de beleving. Mensen die een werk kopen, krijgen een bril mee. Daarin zitten updates, context en extra lagen. Het werk groeit steeds.
Zijn je werken gekoppeld aan NFT’s?
Ja. Voor mij is het een manier om eigendom te registreren, zoals een certificaat, maar dan decentraal. Je weet wie het werk bezit, waar het zich bevindt, en dat kan in een virtuele collectie.
Wanneer voel je dat een werk af is?
Als alles klopt. Soms blijft een werk maanden op de computer staan, onaf. Dan zie ik op een dag wat er ontbreekt. Soms crasht de computer – letterlijk – omdat ik te ver ga. Ook dat zijn grenzen die me iets leren. Een werk is af als het niet meer om mij draait en autonoom ademt.

Je spreekt over ‘digitale oneindigheid’. Wat bedoel je daarmee?
Dat is het spanningsveld tussen controle en toeval. Ik werk met parameters en simulaties, maar laat ook ruimte. Soms ontstaat er iets dat ik niet gepland heb en dat juist daardoor betekenisvol wordt. Oneindigheid is voor mij geen conflict, maar een motor. Het zorgt voor frictie. En waar frictie is, ontstaat een vonk.
Hoe belangrijk zijn titels voor jou?
Ze zijn geen uitleg, maar een richting. Soms weet ik meteen hoe een werk moet heten. Soms zoek ik lang. Dan lees ik en ga ik op zoek naar woorden die de kern raken. Een titel kan het werk openen of samenvatten. Het geeft het een identiteit. Zonder titel blijft het onbepaald.
Hoe reageren verzamelaars op je werk?
Met verwondering, en dat is het mooiste compliment. Zeker als ik merk dat mensen niet door het technologische, maar door het poëtische geraakt worden. Ze zien iets dat ze nog niet kenden, maar dat tegelijk vertrouwd aanvoelt. Die kinderlijke ‘wow’, daar doe ik het voor.
Tot slot: hoe zie je de toekomst van je praktijk?
Als iets dat zich blijft uitvouwen. Ik geloof in gedeelde ervaringen en virtuele ruimtes waar mensen samen kunst beleven. Mijn werk is geen eindpunt, het is een voorstel. Een uitnodiging om anders te kijken naar beelden, maar ook naar onszelf.
Dit interview verscheen eveneens bij OKV.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Dag Yves,
Zie https://entrr.be/News/Detail/ca0c9f0f-6451-4116-a44d-1b53b98df5c5/van%20architectuur%20tot%20digitale%20oneindigheid:%20ommery%20de%20zutter%20(kunstflaneur)
Ik neem dit ook mee in onze volgende nieuwsbrief.
Vriendelijke groet,
Frank Berckmans frank@athomepublishers.be (0032) 477 87 00 75
At Home Publishers – We publish architecture Scheldestraat 35, B-2000 Antwerpen http://www.aportfolio.be – http://www.entrr.be – http://www.athomepublishers.be

prima. Expo is al wel voorbij. Maar de kunstenaar verdient zeker de nodige aandacht.