Duino, juli 2025 – Antwerpen, december 1985
Aan de dichter Rainer Maria Rilke,
waar u ook moge verblijven.
Geachte heer Rilke,
Vandaag bezocht ik het kasteel. Uw kasteel, wordt er zachtjes gefluisterd. Niet omdat het ooit op uw naam stond, maar omdat uw woorden zich voorgoed in de muren hebben genesteld. Ze fluisteren in de hoeken van de gangen, schuren in de wind, sluimeren op de marmeren vensterbanken.
Hier ademt de omgeving een taal die ik herken.


Ik kwam niet om antwoorden te vinden. U hebt me geleerd dat poëzie geen antwoord geeft, maar de vragen langer laat leven.
“Wer, wenn ich schriee, hörte mich denn aus der Engel Ordnungen?”
Het was geen schreeuw die mij naar hier bracht, maar een toeval en een herinnering. Een herinnering aan hoe het ooit begon: met een panter. Uw panter.
Ik leerde u kennen in een klaslokaal waar de lucht naar krijt rook en de woorden nog geen vleugels hadden. Der Panther stond daar als een gesloten dier, gevangen achter duizend tralies. En ik, jong en zoekend, voelde mij voor het eerst aangekeken door een gedicht.
“…und hinter tausend Stäben keine Welt.”
Er was geen wereld daarachter, schreef u. En toch ging er een wereld open. U had het onzichtbare tastbaar gemaakt.
Sindsdien draag ik uw zinnen als stenen in mijn jaszak. Niet om te werpen, maar om gewicht te voelen. Uw taal is geen decoratie, geen stijl, maar een poging om in het onzegbare te leven. U schreef: “Man muss den Dingen die eigene, stille, ungestörte Entwicklung lassen…” En zo ben ik ook naar Duino gekomen. Niet als toerist. Niet als pelgrim. Maar als iemand die wil luisteren.
Ik liep het pad dat ze nu uw naam hebben gegeven: Sentiero Rilke. Alsof het landschap zelf u heeft willen behouden. Onder mij de kliffen, boven mij het blauw. En daar tussenin: de adem. Geen engel daalde neer. Geen openbaring. Enkel het besef dat schoonheid, zoals u schreef, het begin van de verschrikking is.
Maar ook dat we het moeten dragen. Niet begrijpen. Niet temmen. Enkel dragen.


Wat betekent het vandaag nog, dichter te zijn? In een wereld die sneller spreekt dan luistert?
U zou wellicht zeggen: niets. Of: alles.
Dat we geen grootse dingen hoeven te doen, maar het kleine met oneindig veel geduld.
Dat het antwoord niet ligt in het voltooien van een werk, maar in het pad daarheen.
Ik schrijf u deze brief als iemand die ook niet weet hoe te leven. Maar misschien is dat juist het begin. Zoals u schreef: “Leben Sie jetzt die Fragen.”
Misschien moeten we de poëzie niet vinden, maar haar volgen.
Niet schrijven om te zeggen, maar om stiller te worden.
En als wij dan toch moeten schreeuwen,
laten we het zo zacht doen
dat zelfs de engelen
hun vleugels vouwen
om beter te kunnen luisteren.
Met onuitgesproken dank,
en een blik die blijft,
Uw lezer. (die zich plots weer op de schoolbanken bevond)
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
