Denis De Gloire vraagt geen toestemming. Niet aan de galeries, die destijds andere zorgen hadden. Niet aan de weekendbijlagen, die hem al jaren als trouwe adverteerder kennen en de schilder nog moeten ontdekken. En al zeker niet aan Jackson Pollock, van wie hij op zijn elfde al vond dat het properder kon.
De meeste ateliers zijn kapellen, waar de bezoeker zijn stem dempt en de kunstenaar zijn prijzen. Stormestraat 120 is een galerie, en de zaak is open. Doeken gaan van de muur en er weer op, worden omgedraaid, tegen het licht gehouden, naast een ander gezet om te bewijzen wat een grijs vermag. Ik heb mijn jas nog aan en ik weet al wat een doek kost, wat het tijdens de braderie zal kosten en waarom de kader links breder is dan rechts. "Niemand ziet het als ik het niet vertel", zegt Denis. "En dan is het een verhaal."
Hij was bokser, cafébaas en organisator van gala's voor hij schilder werd, en dat is te merken: de eerste ronde is voor hem. Ik schrijf verhalen. Hij verkoopt ze.
Hij leidt me rond zoals een gastheer zijn tuin toont, met de trots van iemand die elke plant zelf heeft gezet. Twee doeken die samen één beeld vormen, zijn gemaakt om uit elkaar te gaan: wie het ene koopt, zal zich ooit afvragen waar het andere hangt. De kaders zijn breder dan nodig, zodat het schilderij een object wordt en ook de zijkant mag meespelen. Zijn kadermakers moeten meedenken, anders hoeven ze niet terug te komen. Op een werk kleeft een prijs van tweeduizend euro. "Maar dat is eigenlijk niet bindend." Voor de braderie van het weekend komen er een vijftiental kleintjes bij, driehonderdvijftig in plaats van vijfhonderdvijftig. "Dat spreekt van commercieel denken. Maar goed, we moeten leven."

Zeventig frank per uur
Het begint, zoals zoveel in Vlaanderen, aan de keukentafel. Een huisschilder leest in de krant over een Amerikaan die verf op een doek laat druipen en daar miljoenen voor krijgt, terwijl hijzelf gevels en plinten doet voor zeventig frank per uur. De vader maakt zich kwaad. De zoon, tien of elf jaar oud, zwijgt en denkt iets wat hij pas decennia later hardop zal zeggen: "Dat kan ik ook. Maar beter."
Beter, omdat het kind in die reproducties van Jackson Pollock iets zag wat de kunstgeschiedenis liever verzwijgt: vieze vlekken. Industriële verf die te lang nat blijft en in elkaar loopt tot een kleur zonder naam. "Hij had het geluk dat Clement Greenberg achter hem stond en vond dat dit kunst was." Wie opgroeit in een verfwinkel, tussen behangpapier en blikken, ziet zoiets. In het kot van zijn vader kwamen versleten uithangborden binnen waarvan de letters niet meer te lezen waren, en twee dagen later gingen ze als nieuw weer buiten. Dat was de eerste kunstles: iets wat kapot was, kon opnieuw glanzen.
De tweede les kwam in de schilderschool. Daar kreeg hij een plank die hij moest schuren, plamuren en opnieuw schuren, tot ze zo glad was als een muur waar geen klant nog iets op kon aanmerken. Pas dan mocht er geometrie op. Hij herinnert zich de verbazing dat hij zulke mooie dingen kon maken. De stielman van toen is nooit vertrokken. Hij zit in de strakke lijnen van het geometrische werk en in de kennis van wat een ondergrond verdraagt.
De rest van de jeugd laat zich minder mooi vernissen. De moeder vertrok toen hij veertien was. De vader dronk. "Met alle respect, maar de feiten zijn de feiten." Hij vertelt het zonder omwegen en zonder er een levensles aan vast te knopen, zoals men de afmetingen van een doek opgeeft. Op zijn zeventiende tekende hij voor drie jaar bij het leger, op aanraden van een rijkswachter die in de rebel meer zag dan de rebel zelf. "Die vent had gelijk. En ik had meteen elke maand geld en elke dag eten."
De ring en de toog
Wat volgt is een curriculum dat geen academie in haar brochure zou durven zetten. Een houtkachelfabriek. Vier jaar competitieboksen. Een eigen boksclub, veertien jaar lang, met een café erbij, want waarmee combineer je een boksclub anders? Hij haalde wereldkampioenen naar Waregem en de camera's van VTM, liet zijn boksers de ring betreden met spots en muziek, "net zoals in Amerika", en verkocht zijn gala's uit. "Als ik iets doe, wil ik het goed doen." Hij hield de pers te vriend en maakte reclame voor zijn boksers zoals hij dat later voor zijn doeken zou doen. Wie hem vandaag over billboards hoort praten, begrijpt dat de schilder zijn vak niet alleen in de schilderschool heeft geleerd.
Er was al eens geschilderd, tussen 1980 en 1985. Een reeks kleine werken, die hij nadien eigenhandig heeft vernietigd. "Amateurisme." Hij zegt het zonder spijt, zoals men over een jeugdliefde spreekt van wie men de naam nog net weet.
In 2002 opent hij een nieuw café in het centrum van Waregem. Hij komt terug van het PMMK in Oostende, het hoofd vol Englebert Van Anderlecht, Serge Vandercam en Jo Delahaut. Hij besluit de muren zelf te vullen. Vier doeken. Binnen de week verkocht. "Maar ik ben realist. Verkocht aan mijn beste maten, mijn beste klant en mijn buren." Hij maakt er vier nieuwe. Ook weg. Het is nooit meer gestopt.
Toen het bleef lopen, deed hij wat weinig beginnende kunstenaars als eerste doen: hij belde zijn boekhouder. "In het zwart verkopen, dat klopt niet. Het moest officieel zijn." Daarna begon hij te lezen. Intussen staan er drieduizend kunstboeken in huis. Uit een van de eerste onthield hij één zin: wie het wil maken, moet productief zijn, want anders raakt het werk nooit verspreid. Hij ziet hem zo voor zich, de kunstenaar die op zijn sofa zit met zeven schilderijen. "Niemand ziet ze. Hij kan ze ook niet verkopen."
De galeries wilden hem niet. Hij stond op de beurzen met een paar foto's in de hand, de smartphone bestond nog niet, en niemand keek. Hij neemt het hen vandaag niet meer kwalijk. Ze staan daar om te verkopen wat ze hebben, niet om er een Waregemse cafébaas bij te nemen. Hij trok een conclusie: "Dan ga ik het ook niet meer aanbieden. Ik ga het zelf verkopen." Het is de kortste samenvatting van zijn loopbaan. Denis De Gloire heeft nooit gewacht tot iemand hem tot kunstenaar verklaarde.
Eén ontmoeting was anders. Op Lineart, in 2009, bleef hij hangen bij een kleine stand met fris, abstract werk. De galerist kwam op hem af, maar Denis waarschuwde hem. "Meneer, ik heb geen nagel om aan mijn gat te krabben, dus u moet uw tijd aan mij niet besteden. Maar proficiat, er hangen hier schone dingen." Ze gingen iets drinken. De man bleek de galerie te hebben opgericht voor zijn verloofde, een Franse schilderes, en zocht nog kunstenaars. Veertien dagen later waren ze vrienden, en sindsdien kon De Gloire betere verf kopen, beter doek, beter alles. Van de schilderes onthield hij vooral één voorval. Iemand kocht een werk van haar, ze begon te wenen, beloofde het een week later te leveren en schilderde het in die week helemaal over. Ze kon er geen afscheid van nemen. "Bizar, hè?" Hij heeft dat probleem niet.

Zevenduizend auto's
Intussen zijn er meer dan tweeduizend schilderijen de deur uitgegaan. Het getal valt een paar keer, zonder triomf, zoals een bakker zijn broden telt. De eerste advertentie in een chique maandbijlage was een gok. Ze bracht drie, vier verkochte doeken op in één week. Hij huurt reclameborden langs de weg. "Zevenduizend auto's passeren er per dag. Huurprijs: vier- à vijfduizend euro per jaar. Als ik één schilderij verkoop, heb ik mijn geld terug." Er staan er intussen een zestal over Vlaanderen verspreid, en het leverde hem een volle pagina in de krant op. De bankier in mij knikt. De criticus in mij zoekt even naar zijn bezwaren en vindt ze niet meteen terug.
Ook buiten de galerie houdt het niet op. Hij vertelt het tussen twee doeken door, alsof het de gewoonste zaak is: wanneer hij op restaurant gaat, keurt hij eerst de muren en dan pas de kaart. Mooie lege muren zijn een kans. Mooie muren met lelijke decoratie zijn een grotere. "Ik ben niet beschaamd om mijn product voor te stellen." Product. Hij zegt het woord waar de meeste van zijn collega's onderzoek zouden zeggen, en het is niet zeker dat zij daarmee eerlijker zijn.
Commercieel is een vies woord in de kunst. "Bij mij niet", zegt hij, en hij ziet er inderdaad niet ongelukkig uit. Zijn redenering is eenvoudig. De grote kunst is voor de top van de piramide, maar de laag daaronder is honderdvijftig keer breder. In die laag wonen mensen die hun huis hebben verkocht voor een nieuw appartement en plots naar witte muren zitten te kijken. Voor hen schildert hij, tegen drie-, vier-, bijna zesduizend euro per doek. "Dat is niet gratis, maar het is ook niet onbetaalbaar."
Hoe ze hem vinden? Hij vraagt het aan elke bezoeker, en acht op de tien geven hetzelfde antwoord: we hebben het zien hangen bij iemand. Tweeduizend schilderijen zijn tweeduizend reclameborden, binnenshuis.
Elke week vraagt wel iemand of het een goede investering is. Ik ken de vraag. Niemand is kwaad op zijn Tesla omdat die na vijf jaar nog een tiende waard is, maar een schilderij van vijfduizend euro moet zijn waarde houden, alsof schoonheid een spaarboekje is. De Gloire heeft er een antwoord op dat geen enkele vermogensbeheerder hem zou verbeteren. "Ik ga dat niet van mezelf zeggen, ik ben geen blaas. Maar kijk op internet wat er van mij te koop staat." Niets, op een verhuis of een scheiding na. "Dat is toch het beste bewijs."
Zilver van het kerkhof
Het zou gemakkelijk zijn om het hierbij te laten: de verkoper, de boksmanager, de man van de billboards. Maar dan heeft men niet gekeken. Linksonder, in bijna elk doek, zit een stip zilver. Aluminiumverf. In de winkel van zijn ouders was dat de kleur die nooit verkocht raakte, zilver en goud dienden alleen om de Christusbeelden op de kerkhofkruisen bij te werken. Pollock ging bij verfhandelaars bedelen om wat ze toch zouden weggooien, en kreeg dus zilver. Het zit in al zijn all-overs. Bij De Gloire is het een handtekening geworden, en een groet aan de overkant van de oceaan.
"Ik ben begonnen waar Pollock gestopt is", zegt hij. Het is een zin die men een schilder uit Waregem niet snel vergeeft, en hij spreekt hem uit zonder met de ogen te knipperen. Maar hij wist van bij het begin dat hij daar niet zou blijven staan. "Je kunt niet hetzelfde blijven doen. Ik toch niet. Ik ben te impulsief en te vlug beïnvloed." Dus bestaan er drie, vier stijlen naast elkaar: de druipers, het geometrische werk, de collages die ook al goed verkochten, telkens nieuwe formaten en nieuwe kleuren. De markt houdt van kunstenaars die op hun eigen logo lijken. Hij houdt het bij een eenvoudiger regel: "Ik zorg dat ik mij niet verveel."
De Gloire is geboren op zestig meter van Firma Claessens, de Waregemse fabrikant van schilderslinnen waar de halve naoorlogse kunstwereld zijn doeken haalt. Hij kent er de mensen, hij koopt er de rollen met een foutje. Soms krijgt hij er een experiment mee naar huis, een doek dat niet twee maar drie of vier lagen gesso moet krijgen en dat zij nog niet durven te verkopen. Hij weet hoe dik verf moet zijn en hoe ver ze mag lopen. "De meeste copycats hebben nog nooit een borstel vastgehouden."
In zijn atelier staan tweeduizend potten, blikken en tubes in een chaos waarin hij blind de juiste kleur vindt. Rood staat er niet bij rood. Het schilderij wijst de weg, zei Pollock al: waar veel rood ligt, moet groen komen, en zo gaat het voort tot het doek zwijgt. Aan een doek werkt hij een uur. "Maar ik ben wel kapot na dat uur." Ik denk aan een andere kunstenaar die me onlangs op dezelfde vraag antwoordde: drie uur, en eenenzestig jaar oefenen.

De namen komen vanzelf: Riopelle, Joan Mitchell, Sam Francis, Franz Kline, Ellsworth Kelly. Bij Francis heeft hij het wit geleerd, de ruimte die mag ademen, en dat wit neemt in het recente werk steeds meer plaats in. De doeken worden stiller, intiemer bijna. De gulden snede zit in zijn pols, hij hoeft niet meer te meten. Een cirkel die te groot lijkt, blijkt berekend op de kader die er nog rond moet. Een uitschieter die een doek dreigde te verknoeien, werd met de verf van de druipers weggewerkt tot hij erbij hoorde. Een langwerpig werk dat van zwart naar wit verloopt, is gemaakt om in een traphal mee omhoog te gaan. Ik zoek naar een woord en kom uit bij doordacht toeval. Hij knikt, maar verbetert me meteen. "Het is geen ongeluk." Pollock zei het ooit woedend tegen zijn critici, en De Gloire zegt het hem rustig na. "There is no accident."
Hij weet waarom hij wordt nageschilderd. "Omdat het er gemakkelijk uitziet. Het is mooi en het ziet er gemakkelijk uit." Hij lijkt er niet wakker van te liggen. "Anders maken ze je niet na." Ik geef mensen die twijfelen aan een aankoop altijd dezelfde raad: ga morgen terug. Wie dan hetzelfde ziet als vandaag, moet niet kopen. Hier zie ik bij de tweede ronde door de ruimte al iets anders dan bij de eerste.
De folder van Riopelle
Naar Art Basel gaat hij elk jaar, om te kijken naar de schilderijen en vooral naar de mensen die ernaar kijken, "de bezoekers die denken dat ze meer zijn dan een ander". "Een komisch gebeuren."
Eén keer bracht hij er iets van mee. Achteraan in een immense hal hing een werk van Riopelle, drie of vier miljoen, en ernaast lag een folder over dat ene werk. Hij stapte op de standhouders af, zei eerlijk dat hij niets kwam kopen, toonde op zijn telefoon wat hij zelf maakte en vroeg of hij zo'n folder mocht hebben. "Meneer, u bent goed bezig. Neem er maar een mee." Thuis legde hij hem bij zijn drukker op de toonbank. Identiek, alstublieft. Het formaat, de vouw, het papier, de plaats van de tekst. Zo heeft Denis De Gloire vandaag een folder die zich kan meten met die van een Canadees van vier miljoen. Men kan dat brutaal vinden. Men kan er ook de zoon van de letterschilder in zien, die een versleten voorbeeld binnenkrijgt en het als nieuw weer buitenzet.
En wat als Pollock hier morgen de Stormestraat binnenwandelt? "Ik zou hem bedanken voor mijn start. En ik zou zeggen: kijk wat ik ervan gemaakt heb. Hij had mijn kleuren niet. Hij had mijn verf niet."


Aperitief
Hij is zevenenzestig. Koffie om half negen, en dan al zitten popelen. Schilderen, klanten, leveren, aperitief, lunch, siësta, en tegen de avond opnieuw de verf.
Over een paar jaar leggen ze hier de straat open en is hij een jaar onbereikbaar. Hij haalt de schouders op. Er is productie genoeg, en locaties vindt hij wel. "De bedoeling is om zo lang mogelijk te kunnen schilderen. Als het niet meer gaat, gaat het niet meer."
Panamarenko zei hem ooit dat er van een werk iets moet uitgaan. Meer theorie heeft hij niet nodig. "Voor mij moet het mooi zijn als het aan de muur hangt." Hij kent de schilders van het misvormde lichaam, hij ziet dat het goed geschilderd is. "Maar wie wil dat in godsnaam aan zijn muur? Daar word je toch ongelukkig van." De kunstpausen zullen er hun wenkbrauwen bij fronsen, dat is hun vak.
"Ik heb een prachtig leven dankzij mijn kunst", zegt hij. "Dat is voor mij voldoende."
De jongen die aan de keukentafel dacht dat hij het beter kon dan Pollock, is zevenenzestig. Hij is niet van mening veranderd.
Het is aperitieftijd in de Stormestraat. Ik blijf nog even.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

De drupper drupt en de prikker prikt.