Marc van Campenhout in dialoog met Thomas Mann

Hans Castorp is terug. Niet uit Davos, waar Thomas Mann hem aan het einde van De Toverberg achterliet, maar in de Lakenhal in Herentals, uit een fictief kunstenaarsarchief dat Marc van Campenhout met zichtbaar plezier uit de grond heeft gestampt. Wie de tentoonstelling De Toverberg binnenstapt, krijgt geen klassieke hommage aan Manns roman voorgeschoteld, maar een merkwaardige kunsthistorische parallelwereld waarin hoofdpersonage Castorp na zijn verblijf in het sanatorium besluit kunstenaar te worden. En daar begint de pret.

Een vergeten kunstenaar

Het verhaal staat netjes uitgeschreven in de beknopte catalogus. Castorp arriveert in Davos als jonge ingenieur, raakt verliefd op het sanatorium Berghof en begint er op zondag teken- en schilderlessen te volgen bij Heinrich Liebich. Hij maakt kopieën van bekende meesters. Wanneer hij later met zijn werk in Zürich wordt afgewezen omdat hij te traditioneel schildert, is zijn reactie er een van gekrenkte trots: als de moderne kunst hem niet wil, dan zal hij haar zelf wel eens onder handen nemen.

Maar het kunstenaarschap van Castorp begint al veel vroeger. Als kind vult hij schetsboeken met schepen en portretten. Op zijn vijftiende maakt hij zelfs een aquarel van de Hansa, een dubbelschroevig poststoomschip. De jonge Castorp is dus niet zomaar een literair personage dat achteraf tot kunstenaar wordt gebombardeerd; Marc van Campenhout bouwt hem zorgvuldig een artistieke voorgeschiedenis. Er is een schetsboek, er zijn lessen, een leraar en zelfs een jeugdvriend die een merkwaardige plaats in Castorps verbeelding inneemt.

69 harten voor Clawdia
69 harten voor Clawdia (pastiche naar Jackson Pollock)

De wraak van de gekrenkte kunstenaar

Castorp keert terug naar zijn Toverberg en begint pastiches te maken van de moderne meesters. Tot aan zijn dood in 1973. Daarna wordt de taak overgenomen door zijn 'verloren zoon' Jean Chauchat junior. En wanneer ook die van het wereldtoneel verdwijnt, treedt Marc van Campenhout, die in het eerste studiejaar naast Jean Chauchat Jr. in de klas zat, in het voetlicht.

En precies daar begint de tentoonstelling.

Het is een briljante vondst omdat van Campenhout zichzelf daarmee tegelijk kunstenaar, conservator, biograaf, vervalser en erfgenaam van een fictieve kunstenaarsnalatenschap maakt. Hij kan zich achter Castorp verschuilen en hem tegelijk gebruiken als alter ego. De werken worden zo niet zomaar pastiches van Mondriaan, Lichtenstein, Magritte, Miró, Beuys of Fontana. Ze worden gepresenteerd als werken uit het oeuvre van een kunstenaar die nooit heeft bestaan.

Dat maakt de tentoonstelling aanzienlijk geestiger dan een verzameling kunsthistorische parodieën.

Als de kunstgeschiedenis naar Davos komt

Neem Settembrini's Sedes Sapientiae, een pastiche naar Joseph Beuys. Een oude stoel draagt een stapel boeken. De titel verwijst naar de stoel van wijsheid en kennis van de erudiete vrijheidsdenker Settembrini. Beuys is aanwezig, maar eigenlijk is vooral Mann aanwezig. En Settembrini natuurlijk. Drie werelden worden over elkaar geschoven en het object krijgt daardoor een nieuwe identiteit.

Even verder staat een kom vol Belgische mosselen. Belgische mosselen, een pastiche naar Marcel Broodthaers. De grap is bijna flauw: in het sanatorium eet men geen Zwitserse mosselen. Wel Belgische. Maar juist die bijna droge absurditeit maakt het werk overtuigend. Broodthaers wordt niet gekopieerd omwille van de stijl alleen; zijn Belgische identiteit wordt het materiaal voor een grap binnen de fictieve wereld van De Toverberg.

Belgische mossel (naar Broodthaers)

En dan Mondriaan.

Dijkbreuk in Davos ziet eruit alsof De Stijl plotseling door een emotionele crisis is getroffen. De ondertitel zegt alles: "De dijk van de hartstocht is gebroken en het meer van de liefde loopt leeg!" De strenge geometrie van Mondriaan krijgt een sentimentele onderstroom. Kunstgeschiedenis en melodrama worden in één beeld tegen elkaar uitgespeeld.

Hetzelfde gebeurt bij Roy Lichtenstein. M-Maybe Hans became ill and couldn't leave his magic mountain! toont een blonde vrouw, Clawdia Chauchat, in de typische rasterstructuur, tekstballon en striptaal van Lichtenstein. Alleen is de context volledig verschoven. De woorden die we lezen komen niet van Chauchat, maar spelen zich af in het hoofd van Castorp.

Wanneer Castorp tijdens een skitocht verdwaalt in een hevige sneeuwstorm en buiten bewustzijn raakt, fantaseert hij dat Chauchat zich grote zorgen over hem maakt. In werkelijkheid is zij helemaal niet geïnteresseerd in zijn lot. Het tekstballonnetje wordt daardoor een verbeelding van Castorps verlangen: hij maakt van de vrouw op wie hij verliefd is een bezorgde geliefde, terwijl die bezorgdheid uitsluitend in zijn eigen hoofd bestaat.

Precies daar krijgt de pastiche meer betekenis dan alleen een geestige verwijzing naar Lichtenstein. Van Campenhout gebruikt de beeldtaal van de popartkunstenaar om het verschil tussen werkelijkheid, verlangen en verbeelding zichtbaar te maken. De blonde vrouw is Chauchat, maar tegelijk ook het beeld dat Castorp van haar wil hebben.

Daarmee wordt ook de titel van de tentoonstelling steeds geestiger. De Toverberg is bij Van Campenhout niet alleen de berg waarop Castorp verdwaalt, maar ook een berg van beelden, citaten, kunsthistorische stijlen en herinneringen. De werkelijkheid van Mann wordt er voortdurend door de verbeelding van Castorp - en uiteindelijk door die van Van Campenhout - herschreven.

Een portret van iemand die nooit bestond

De mooiste voorbeelden ontstaan wanneer Van Campenhout de grens tussen fictie en werkelijkheid nog verder laat vervagen.

Zo is er een portret van Hans Castorp als directeur van het sanatorium, geschilderd door Georges Ferdinand Lemmers. Het ziet eruit als een negentiende-eeuws of vroegtwintigste-eeuws officieel portret: een man in donker pak, ernstig en zelfverzekerd, keurig ingekaderd. Alleen bestaat Hans Castorp natuurlijk niet.

Of misschien moeten we het anders formuleren: binnen de tentoonstelling bestaat hij wel degelijk.

Nog intrigerender is De brug van Mantes, een kopie van een schilderij van Camille Corot. Volgens de fictieve biografie maakte Castorp het werk in opdracht van zijn leraar Heinrich Liebich. Ook hier wordt een bestaande schilderkunstige traditie ingeschoven in het leven van een verzonnen personage. Van Campenhout doet alsof hij een vergeten hoofdstuk uit de kunstgeschiedenis heeft opgegraven en presenteert het met precies genoeg overtuiging om de leugen geloofwaardig te maken.

Dat spel wordt consequent volgehouden.

Clawdia met bloemen
Clawdia met bloemen (pastiche naar Andy Warhol)

Liefde, ziekte en littekens

Bij Fontana worden de persoonlijke ervaringen van Castorp opnieuw vermengd met de fantasie van van Campenhout. Liefdeslittekens verwijst naar de liefdesnacht met Clawdia Chauchat en vertaalt de emotionele verwonding naar de taal van de ruimtelijke schilderkunst. De sneden in het doek worden littekens. Liefde wordt een fysieke ingreep in het schilderij.

En juist daar wordt de tentoonstelling meer dan een intellectuele grap. Want onder de humor zit voortdurend iets lichamelijks. Ziekte, seksualiteit, verlangen, dood en lichamelijk verval zijn niet toevallig ook de grote thema's van Manns roman. Van Campenhout vertaalt ze in beelden. Tepels, borsten, geslachtsdelen, harten, hechtingen, messen en littekens duiken op in een universum waarin het menselijk lichaam nooit ver weg is.

Dat komt misschien het meest uitgesproken naar voren in de pastiche naar Wassily Kandinsky. Een ogenschijnlijk abstract beeld blijkt bij nader kijken juist buitengewoon figuratief: röntgenbeelden en anatomische voorstellingen, profielen, borsten, tepels, geslachtsdelen, een teddybeer, een Zwitserse vlag en harten schuiven over elkaar heen. Het medische universum van Berghof wordt daarmee bijna een anatomisch rariteitenkabinet.

Sommige werken lijken daardoor bijna zoekplaten. In de Pollock-pastiche zitten volgens Marc 69 hartjes verborgen. Sommige zijn duidelijk zichtbaar, andere verdwijnen onder verschillende verflagen. Hij beschrijft hoe hij kleur over kleur heeft gelegd en telkens opnieuw heeft laten drogen. Het is tegelijk een technische oefening en een spel met de kijker.

Je begint te zoeken. En daarmee gebeurt iets wat goede kunst kan doen: je kijkt langer.

Bij Miró wordt het beroemde duel tussen Settembrini en Naphta een explosie van figuren, lijnen en vreemde wezens. Het filosofische conflict uit Manns roman wordt een visueel circus. Settembrini schiet in de lucht; Naphta pleegt zelfmoord. De ernst van het oorspronkelijke debat verdwijnt niet helemaal, maar wordt wel door de beeldtaal van Miró gehaald.

Een kinderhand met een volwassen idee

Ook het kinderlijk ogende werk waarin Castorp tijdens zijn tekenles verschijnt, past in die strategie. Van Campenhout heeft het bewust zo getekend dat het niet het werk van een volwassen kunstenaar lijkt. Het verwijst naar de episode waarin Hans zonder potlood in de tekenles zit en van Hippe een uitschuifbaar potlood krijgt. De kinderachtige tekenstijl is dus geen gebrek aan beheersing, maar onderdeel van het concept.

En dat is misschien precies wat Van Campenhout met deze tentoonstelling doet: hij maakt van kunstgeschiedenis iets waarmee je opnieuw kunt spelen.

Daarbij helpt het dat hij de kunstgeschiedenis duidelijk kent. De Mondriaan is geen willekeurige Mondriaan. De Lichtenstein is geen willekeurige stripimitatie. De Beuys, Broodthaers, Magritte, Miró en Fontana functioneren binnen een zorgvuldig opgebouwde reeks associaties. Van Campenhout gebruikt de stijlkenmerken als gereedschap, maar altijd in dienst van het verhaal.

Wandeling in de sanatoriumtuin
Wandeling in de sanatoriumtuin (pastiche naar August Macke)

Achter de grap zit vakmanschap

Dat verklaart ook waarom de tentoonstelling ondanks haar humor niet vrijblijvend wordt.

Er zit veel arbeid in deze ogenschijnlijk lichtvoetige beelden. Van Campenhout vertelt hoe lang hij aan bepaalde kleuren heeft gewerkt en hoe verschillende lagen verf noodzakelijk waren om het gewenste effect te bereiken. De grap mag dan snel te begrijpen zijn, het beeld is daarom nog niet snel gemaakt.

Sommige werken zijn bovendien bewust technisch veeleisend. Van Campenhout speelt met raster, kleur, lagen en herhaling en lijkt daarbij geregeld de grenzen van zijn eigen kunnen op te zoeken. Juist dat contrast is interessant: de conceptuele grap mag lichtvoetig zijn, het maken ervan is dat allerminst.

Ook de kunsthistorische oefeningen die aan sommige werken voorafgaan, zijn betekenisvol. De kunstenaar verwijst naar tempera, fresco en fijn penseelwerk en naar de academische traditie waarin kunstenaars door kopiëren leerden kijken en schilderen. De kopie van Corot krijgt daardoor een dubbele functie: ze hoort bij Castorps fictieve opleiding én laat zien hoezeer het hele project draait rond het verschil tussen origineel, kopie en pastiche.

Castorps jeugdherinneringen (pastiche naar Kurt Schwitters)
Castorps jeugdherinneringen (pastiche naar Kurt Schwitters)

Een oeuvre dat nooit heeft bestaan

Misschien is dat uiteindelijk de grootste verrassing van De Toverberg. Je begint te (glim)lachen om de mosselen van Broodthaers, de Mondriaan met zijn hartstochtelijke dijkbreuk of de Lichtenstein waarin Castorp plots een stripfiguur wordt. Maar naarmate je langer kijkt, blijkt er een heel bouwwerk onder te liggen.

Thomas Mann ligt aan de basis. Daarbovenop komen de personages. Dan de kunstgeschiedenis. Dan de fictieve kunstenaarsbiografie van Castorp. Vervolgens Jean Chauchat junior. En uiteindelijk Marc van Campenhout, de werkelijke kunstenaar die deze hele constructie heeft bedacht en vormgegeven.

Daarbij is er nog een opmerkelijke laag: Van Campenhout beschouwt de fictieve collectie duidelijk niet als een afgesloten geheel. Na het herlezen van de roman had hij naar eigen zeggen nog inspiratie voor tientallen andere werken. De fictieve Castorp blijkt dus een kunstenaar met een oeuvre dat zich theoretisch eindeloos kan blijven uitbreiden.

Ook dat is een slimme zet. Zodra de fictieve kunstenaar een verleden én een onaf oeuvre heeft, kan vrijwel elke nieuwe pastiche worden ingepast in zijn levensverhaal. Van Campenhout heeft als het ware een machine gebouwd die nieuwe kunsthistorische associaties blijft produceren.

Het is een kunsthistorische Russische pop, maar dan eentje waarin de poppen voortdurend met elkaar naar bed gaan, ziek worden, sterven, schilderen en ruzie maken.

En misschien is dat de enige manier om De Toverberg vandaag opnieuw te beklimmen: niet met eerbied, maar met een flinke dosis verbeelding.

Van Campenhout heeft Thomas Mann niet geïllustreerd. Hij heeft hem geplagieerd, geparodieerd, voortgezet en vooral met veel plezier verder laten leven.

Dat laatste voel je overal in de tentoonstelling. In het gesprek zegt Van Campenhout over verschillende werken eenvoudigweg dat hij er plezier aan heeft gehad. Bij sommige schilderijen ging het hem om het technische spel, bij andere om het idee. Zelfs wanneer hij spreekt over zeer persoonlijke of lichamelijk geladen werken, blijft dat plezier in het maken aanwezig. Hij lijkt vooral nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer een literair personage, een herinnering en een beroemde beeldtaal elkaar kruisen.

Die combinatie van vakmanschap en plezier is uiteindelijk misschien de beste toegang tot deze tentoonstelling.

Want wie hier alleen op zoek gaat naar Thomas Mann, ziet maar de helft.

Wie ook naar Beuys, Broodthaers, Mondriaan, Lichtenstein, Magritte, Miró en Fontana kijkt, begint het spel te begrijpen.

En wie vervolgens naar de schetsboeken kijkt, naar die vroege schepen, dat kinderportret, dat geleende potlood en die brave kopie van Corot, ziet nog iets anders: vóór Castorp de kunstgeschiedenis naar zijn hand zette, was hij gewoon een jongen die wilde tekenen. Het is misschien wel de meest overtuigende truc van Marc van Campenhout: hij laat een verzonnen kunstenaar zo lang groeien dat je op den duur vergeet dat hij nooit heeft bestaan.

En wie daarna nog eens De Toverberg openslaat, kijkt waarschijnlijk met andere ogen naar Hans Castorp.

Misschien is dat precies wat Marc van Campenhout met De Toverberg doet: hij vervangt Thomas Mann niet, maar bouwt rond diens roman een tweede universum. Een universum waarin Hans Castorp kunstenaar wordt, waarin de kunstgeschiedenis zijn materiaal vormt en waarin Van Campenhout zelf uiteindelijk de laatste schakel van die fictieve nalatenschap wordt. Een leven dat Mann nooit schreef, maar waarvan je na deze tentoonstelling bijna wenst dat hij het had gedaan.

De berg is dezelfde. De gids is alleen compleet ontspoord.

Bij deze expo hoort een mooie kortfilm over de Toverberg van cineast Rudy Brijs

De expo loopt nog tot 25 oktober elke vrijdag, eaterdag en zondag van 14 tot 17u in de Lakenhal van Herentals.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder