Ik stond eerst in de galerij in de Wolstraat. Een kleine vergissing, maar wel eentje die ervoor zorgde dat ik met een stadsfiets snel richting Eilandje moest, waar d_Jeannoel - Dimitri Van Zeebroeck - volop in de weer was met de voorbereiding van zijn tentoonstelling. Tussen werken die nog een plek moesten krijgen, praktische beslommeringen en de laatste hand aan de presentatie, ontspon zich een gesprek dat al snel verder reikte dan de kunst alleen.

Het is, voor alle duidelijkheid, niet zomaar een naamsverandering. De Antwerpse fotograaf en documentairemaker, ooit genomineerd voor de Prix d'Europe met zijn Canvasreeks God Woont in Berchem, trok zich na de lockdown terug in Catalonië. Kocht er een oude wijngaard aan de Ebro. Van zijn voornaam bleef alleen de -d bewaard. Jean-Noël zijn gewoon de twee middelste namen op zijn identiteitskaart en bovendien een eerbetoon aan zijn nonkel Jean, eveneens kunstenaar. Flora Incognita is zijn eerste kennismaking met het grote publiek.

We spraken over fotografie, uiteraard, maar ook over traagheid en snelheid, over toeval en controle, over de behoefte om zich niet langer te laten vangen in een hokje. Over technologie en artificiële intelligentie, over afval dat misschien geen afval is, over het landschap waarin zijn werk ontstaat en over de vraag wat er gebeurt wanneer een kunstenaar besluit zijn camera definitief aan de kant te leggen.

Er was voor een groot gedeelte van het gesprek geen dictafoon. Het gesprek werd immers, eenmaal de eerste gedachten waren uitgewisseld, verdergezet in een café om de hoek. Minder formeel, misschien, maar daardoor ook vrijer. Vragen kregen nieuwe vragen als antwoord, zinnen dwaalden soms een andere richting uit en het gesprek werd gaandeweg minstens zo interessant als de werken waarover we het aanvankelijk hadden.

Wat volgt is dan ook geen klassiek interview over een tentoonstelling. Het is een gesprek met een kunstenaar die zegt dat hij foto's maakt zonder camera, maar ondertussen vooral lijkt te onderzoeken wat fotografie nog kan zijn.

Voor wie je werk voor het eerst ziet, is het misschien belangrijk om eerst uit te leggen hoe je kunst tot stand komt.

Ik leg materiaal rechtstreeks op het fotopapier. Dat kan plastic zijn, een stuk textiel, iets wat ik in het landschap gevonden heb. Vervolgens gaat deze creatie naar buiten. Het papier ligt daar dagenlang blootgesteld aan zonlicht, vochtigheid, temperatuur, wind en alles wat de natuur ermee doet. In het fotopapier zitten zilverkristallen en die reageren op het licht. Er ontstaat een beeld, maar niet op de klassieke manier waarop we een foto kennen. Eigenlijk maak ik nu foto's zonder camera.

Een techniek die hij overigens niet zelf heeft uitgevonden. Talbot experimenteerde er al mee, net als Anna Atkins en de Belg Pierre Cordier met zijn chemigrammen, twee jaar geleden overleden. Wat wél eigen is aan zijn werk: het materiaal. Waar lumenkunstenaars doorgaans varens en grassen als contactafdruk gebruiken, werkt hij met plastic, folie en textiel.

Ik heb dertig, veertig jaar lang de ontwikkeling van de fotografie gevolgd. Altijd was er die zoektocht naar de nieuwste camera, de betere sensor, een betere lens, meer mogelijkheden. Op een bepaald moment dacht ik: wat kan ik daar nog aan toevoegen? En dan is het eigenlijk bevrijdend om die hele technologie weg te laten.

Je maakt dus eigenlijk een botanische wereld uit afval.

Dat is een mooie manier om het te zeggen. Ik ga wandelen in de omgeving van Miravet waar ik woon. Daar kom ik allerlei dingen tegen die door mensen zijn achtergelaten: plastic, stukken folie, synthetische materialen, fragmenten waarvan de oorspronkelijke functie verdwenen is. Ik noem het liever het achtergeblevene dan afval. De natuur kent eigenlijk geen afval. Zij kent alleen materie die onderweg is naar een andere gedaante.

In mijn atelier begin ik die materialen samen te brengen. Ik kijk ernaar alsof ik een archeoloog ben. Ik probeer er geen nieuwe gebruiksvoorwerpen van te maken, maar laat ze samen een soort organisme worden. Mijn werken lijken op wortels, zwammen, bladeren of onbekende planten. Ze hebben nooit bestaan, maar wanneer je de foto ziet, geloof je haast dat ze ergens moeten bestaan.

Een archeoloog die tussen fotografie, archeologie en botanica opereert?

Ja, en daarom gebruik ik ook die fictieve Latijnse namen. Ze verwijzen naar de manier waarop planten vroeger wetenschappelijk werden gecatalogiseerd. Maar mijn planten bestaan niet. Het zijn soorten die misschien zouden kunnen ontstaan als de natuur verdergaat met wat wij achterlaten. Het zijn botanische bewijzen van een natuur die nooit heeft bestaan.

Tegelijkertijd is dat ook een risico. Fotografie wordt vandaag vaak geassocieerd met snelheid, reproduceerbaarheid en digitale beelden.

Mijn werk is daar eigenlijk het tegenovergestelde van. Vroeger had je een rolletje met 24 of 36 opnames. Je moest nadenken voor je afdrukte. Vandaag maken mensen honderden foto's, duizenden soms, en een groot deel daarvan wordt nooit meer bekeken. We leven in een enorme snelheid van beeld.

Ik draai dat helemaal om. Bij mij is de snelheid weg. Tijd wordt een onderdeel van het werk. De natuur bepaalt mee wat er gebeurt. Dat vind ik ook interessant in verhouding tot artificiële intelligentie. Een computer kan in een paar milliseconden een beeld berekenen. Mijn beelden zijn het resultaat van gebeurtenissen die zich werkelijk hebben voorgedaan: licht, wind, vocht, tijd, materiaal.

En toch komt er uiteindelijk opnieuw heel veel controle bij kijken.

Zeker. Wat de natuur en het toeval zijn begonnen, maak ik verder af met mijn expertise en techniek. Wanneer het werk na dagen of weken weer binnenkomt, is het beeld nog niet noodzakelijk stabiel. Dan ga ik ermee aan de slag in de donkere kamer. Ik gebruik verdunde ontwikkelaars, gecontroleerde ontwikkelingstijden, fixeer het beeld en werk soms met selenium of goud.

Deze edelmetalen, selenium en goud, verhinderen dat het zilver in het papier verder oxideert. Precies het proces dat oude foto's laat vergelen, hier bewust stopgezet. Een keuze die, zegt hij, ingaat tegen wat de meeste lumenkunstenaars nastreven: die laten hun beeld net verder evolueren, soms zonder het ooit te fixeren.

Dat is bijna het tegenovergestelde van wat eraan voorafging. Buiten geef ik de controle uit handen, in de donkere kamer neem ik ze opnieuw gedeeltelijk terug. Geen van beide kan zonder de andere.

Wanneer is zo'n werk dan uiteindelijk af?

Dat is moeilijk te zeggen. Het is af wanneer ik voel dat het gesprek tussen wat ik heb gedaan en wat de natuur ermee heeft gedaan, afgerond is. Het interessante is juist dat ik niet vooraf weet hoe het eruit zal zien. De wind kan iets verplaatsen. Regen kan spatten veroorzaken. Modder kan op het papier terechtkomen. Vroeger zou je dat misschien een fout noemen. Nu is het onderdeel van het beeld.

Ik hoef niet meer alles onder controle te hebben. Dat is misschien wel een van de belangrijkste veranderingen.

Je verhuis naar Catalonië lijkt daarin essentieel. Had dit werk ook in Antwerpen kunnen ontstaan?

Misschien technisch wel, maar inhoudelijk niet. Ik ben in Miravet terechtgekomen omdat ik daar een plek vond. De stilte, het landschap en de afzondering hebben iets bij mij opengebroken. Ik wilde mijn hoofd leegmaken na 25 jaar werken en opnieuw ontdekken wat ik eigenlijk wilde doen.

Ik had natuurlijk ook elders materiaal kunnen verzamelen. Maar dan verdwijnt het verhaal van de plaats. Alles wat ik gebruik, komt uit die omgeving. De wandeling, het vinden, het verzamelen, het landschap, het licht: alles maakt deel uit van het werk.

De werken dragen allemaal Latijnse namen. Waarom?

Omdat ik ze een soort wetenschappelijke ernst wil geven, terwijl ze tegelijk volledig fictief zijn. Ik vind dat spanningsveld interessant. Je ziet iets wat eigenlijk niet bestaat, maar door de fotografische vorm krijgt het toch een soort bewijswaarde. Alsof je naar een wetenschappelijke plaat kijkt van een plant die nog nooit beschreven is.

Een van de meest persoonlijke werken is Corollaria Margaritae, genoemd naar je vrouw.

Dat werk is voor mij heel bijzonder. Ik had een jurk gevonden die bij het afval lag. Vervolgens heb ik die omgekeerd op het papier gelegd en plots zag ik daarin een soort bloeiende vorm. Ik dacht onmiddellijk aan mijn vrouw. Zij was er erg door geraakt. Ze moest huilen toen ze het zag. Ze hoopt eigenlijk stiekem dat het werk niet verkocht wordt en dat het thuis kan blijven hangen.

Dat maakt het ook symbolisch. Een voorwerp dat iemand heeft weggegooid, krijgt een totaal andere betekenis. Iets wat moest verdwijnen, wordt plots iets wat je wilt bewaren.

Je laat de natuur dus niet gewoon haar gang gaan?

Nee, helemaal niet. Soms ben ik heel actief. Ik gebruik bijvoorbeeld doeken of materialen die ik tijdens de belichting verplaats. De wind doet zijn werk, maar ik doe dat ook. Het kan bijna actionpainting worden, alleen gebeurt het met licht en fotochemie.

Het is nooit puur wachten. Ik geef een aanzet en trek me daarna terug. Ik spreek eerst, dan laat ik de omgeving antwoorden.

Je zegt dat je je niet graag laat catalogeren. Toch noem je het uiteindelijk fotografie.

Als iemand mij dwingt om een categorie te kiezen, dan is het fotografie. Het eindresultaat ontstaat immers op bariet-fotopapier. Maar tegelijkertijd gaat het in tegen een van de klassieke eigenschappen van fotografie: reproduceerbaarheid.

Zelfs als ik vijfhonderd jaar zou proberen om hetzelfde werk opnieuw te maken, zou dat niet lukken. Ik kan dezelfde collage maken, maar ik kan niet dezelfde wandeling opnieuw maken. Niet dezelfde wind, niet dezelfde temperatuur, niet dezelfde luchtvochtigheid, niet exact dezelfde belichting. En ook in de donkere kamer zal het proces nooit identiek verlopen.

Daarom is elk werk uniek. Niet omdat uniek zijn op zich het doel is, maar omdat het proces het onmogelijk maakt om het opnieuw te maken.

En ben je van plan ooit opnieuw fotograaf met een camera te worden?

Fantastische vraag. Nee.

Ik heb het gevoel dat ik mijn stem gevonden heb. Dat is voor mij belangrijker dan opnieuw een camera kopen. Ik ben jarenlang bezig geweest met de nieuwste technologie, en nu heb ik het gevoel dat ik daarvan verlost ben.

Ik maak foto's zonder camera. Dat klinkt misschien als een contradictie, maar voor mij is het net de essentie. De camera is verdwenen, maar de fotografie is gebleven.

Dus in plaats van een lens is geduld nu een van je belangrijkste instrumenten.

Ja. En tijd. Misschien is tijd wel mijn belangrijkste materiaal geworden. Ik hoef niet meer te haasten naar het resultaat. Ik laat het beeld ontstaan. Soms weet ik zelf niet wat er uiteindelijk uitkomt.

Dat vind ik juist spannend. Ik geef een voorzet, maar ik laat anderen de bal binnenkoppen. De kijker hoeft niet noodzakelijk te weten wat ik precies bedoeld heb. Ik vind het veel interessanter wanneer iemand zijn eigen betekenis aan een werk geeft en het daardoor een beetje van zichzelf maakt.

Dus een unieke foto.

Ja. Een foto die maar één keer kan bestaan. Dat is misschien de mooiste paradox van dit hele verhaal. Ik maak fotografie door juist afstand te nemen van alles wat fotografie de voorbije decennia zo vanzelfsprekend heeft gemaakt: de camera, de snelheid, de controle en de mogelijkheid om eindeloos te reproduceren.

Wat overblijft, is een ontmoeting tussen mens, materiaal, licht, landschap en tijd. En misschien is dat uiteindelijk precies wat een foto altijd al is geweest: een poging om iets wat voorbijgaat, toch even vast te houden.

Zijn muurgrote afdrukken, tot 120 op 155 centimeter, vragen overigens muurgrote baden, op maat gemaakt. "Mural-sized darkroom printing", noemt hij het zelf. Weinig kunstenaars wereldwijd werken op dit formaat, met dit specifieke papier.

Wie hem wil zien werken zonder camera, kan tot 11 oktober terecht bij Galerie Verbeeck-Van Dyck. Op 4 oktober volgt een boekpresentatie: een oplage van 150 genummerde exemplaren, met een tekst van schrijfster Annelies Verbeke.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder