Het was te warm voor kunst. Dat merk je pas als je er middenin staat. Tussen de beelden van het Middelheim, op een namiddag in juli die meer zomer wilde zijn dan de kalender toeliet. Mensen lagen in het gras. Ze zaten met de rug tegen een sokkel, ogen dicht, gezichten aangeboden aan de zon of net ervan weggedraaid. Een kind sliep. Twee vrouwen deelden een fles water en spraken over iets wat niets met kunst te maken had. Een man had zijn schoenen uitgetrokken en lag languit naast een sculptuur van minstens twee meter hoog, alsof ze samen een middagdutje deden. Niemand keek, niemand stelde zich vragen.

Ik liep er doorheen als iemand die een zaal binnengaat waar de voorstelling al begonnen is. Voorzichtig. Lichtjes beschaamd ook, al wist ik niet goed waarvoor. De beelden stonden er zoals ze altijd staan: geduldig, onverstoorbaar, gewend aan eeuwen onverschilligheid, want wat is een luie julimiddag vergeleken bij vijfhonderd jaar kunstgeschiedenis. Een figuur in brons keek over het liggend publiek heen naar iets wat er niet was. Ik volgde zijn blik. Ook niets. We begrepen elkaar.

Een experiment met vissen, toegepast op mensen met picknickdekens

Ergens had ik verwacht geïrriteerd te zijn. De kunstliefhebber in mij, de man die voor dit alles komt, die het park kent als een route door beelden en niet als een vlucht uit de hitte, had kunnen mopperen. Maar de irritatie bleef uit. In plaats daarvan drong zich een andere gedachte op, ongewenst en precies daarom interessant.

Ik dacht aan de snoek.

Het is een oud experiment, dikwijls aangehaald in managementboeken waar ik verder weinig mee heb, maar het beeld beklijft. Een snoek in een aquarium, gescheiden van kleine visjes door een glazen wand. Het dier botst en botst met de vastberadenheid die alleen roofdieren en mensen met een missie kennen. Tot hij het opgeeft. Wanneer het glas verwijderd wordt, zwemt hij gewoon verder, tussen de visjes die hij had kunnen pakken, zonder ze nog te zien als prooi. De beperking is verdwenen. Het gedrag bleef. De visjes leven lang en gelukkig, wat goed is voor hen maar het punt enigszins mist.

Ik keek naar de mensen in het gras en dacht: wie is hier de snoek?

Het glazen schot van de goede smaak

De mensen met de picknickdekens hadden het glazen schot misschien al lang geleden leren kennen. School, misschien. Een museum dat te stil was, te koud, te vol onuitgesproken regels over hoe je moest staan en kijken en vooral niets moest zeggen dat fout klonk. Kunst als iets voor anderen, voor mensen met abonnementen en een mening over de late Picasso. Op een gegeven moment houden mensen op te botsen. Ze gaan gewoon liggen. Ze genieten van de schaduw die het beeld werpt zonder het beeld zelf te zien, en wie weet is dat ook een vorm van samenleven met dingen die groter zijn dan je.

Maar dan was er nog een tweede mogelijkheid, en die stak meer.

Misschien was ík de snoek. De man met het glazen schot van zijn eigen expertise, zijn eigen routes, zijn eigen stille overtuiging dat een bezoek aan Middelheim nu eenmaal een zekere aandacht vereist, liefst staand, liefst zwijgend, liefst met iets van ontzag. Ik keek naar de beelden omdat ik altijd naar de beelden kijk. Niet omdat ik die namiddag werkelijk verrast werd, niet omdat het glas aan diggelen lag en de wereld er plotseling anders uitzag, maar omdat mijn conditionering mij daartoe beweegt, beleefd en onwrikbaar als een gids die je blijft rondleiden ook als je eigenlijk al naar huis wil.

De snoek die blijft botsen is misschien niet vrijer dan de snoek die het heeft opgegeven. Hij is alleen anders gevormd door hetzelfde glas.

Wat de beelden zagen

Ik bleef langer dan ik van plan was. Niet om meer te kijken, maar omdat het prettig was, die merkwaardige vrede van een park waar de kunst en de mensen elkaar tactvol negeren en toch iets delen. De hitte bond hen samen op een manier die geen tentoonstellingstekst had kunnen bedenken. Tegen vijf uur begon er iemand een kurk te trekken. Ergens anders klonk gelach. Een beeld van een vrouw strekte haar arm uit boven een slapend gezin, een gebaar dat tegelijk beschermend en wanhopig leek, al was ik niet zeker of dat aan haar lag of aan mij.

Ik vertrok toen de schaduwen langer werden. Bij de uitgang draaide ik me nog eens om. Het park lag er stil bij, vol mensen die niet keken en beelden die niet klaagden. Een bronzen figuur keek mij na, of leek het te doen. Zijn blik zei niets. Dat is het voordeel van beelden: zij hebben het glazen schot nooit nodig gehad. Zij staan er gewoon. Het zijn wij die telkens opnieuw beslissen wat we zien.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder