Op familiebezoek bij Yves Klein in het Stedelijk Museum Schiedam

De lucht boven Schiedam is vandaag van Yves Klein. Wolkeloos, ononderbroken, dat specifieke blauw waarbij je niet weet waar de hemel ophoudt en de expo begint. Alsof het museum zijn tentoonstelling buiten heeft gehangen. Gratis en voor niets, voor wie er aandacht voor heeft.

Het is niet de eerste keer dat dit blauw me een museum binnen trekt. Al in 2020 schreef ik over hoe Klein in Centre Pompidou-Metz zijn tijdgenoten overschaduwde en toch ook omarmde. Blauw was ook een van de redenen waarom ik in het recent geopende Nederlands Fotomuseum in Rotterdam belandde. En op een koude Blue Monday in januari 2024 dook ik weg in het blauw als refugium, op zoek naar wat Klein zelf ooit verwoordde: het absolute dat begint waar dimensie ophoudt. Schiedam brengt dat gevoel opnieuw, maar nu met een extra laag: de mensen rondom de kleur blauw.

Een band met Nederland

Schiedam is hiervoor de juiste stad. Niet Parijs, niet Nice, niet een van de grote instituten waar men Yves Klein gewoonlijk verheft tot icoon en hem achter glas zet. Maar Schiedam is ook geen willekeurig toeval: er zit een minder gekend verhaal in deze keuze.

Vader Frits Klein groeide op in Wassenaar. Moeder Marie Raymond verkreeg door haar huwelijk de Nederlandse nationaliteit, en schreef haar hele carrière columns over het Parijse kunstleven voor Nederlandstalige lezers – tot 1958 was ze columniste voor het tijdschrift Kroniek van Kunst en Kultuur. Het Stedelijk Museum Schiedam toonde haar werk al in 1957 – het werk Sérénité du printemps werd toen aan de museumcollectie toegevoegd. Frits had bovendien een grote monografische tentoonstelling in ditzelfde museum, in 1965.

De familie Klein heeft altijd een Nederlandse wortel gehad – een stille, weinig verhaalde wortel weliswaar – en daarom voelt het goed dat hier in dit intieme museum aan de Hoogstraat deze familiekwestie de nodige aandacht krijgt met niet minder dan 30 werken van Yves Klein en 40 van zijn familieleden.

Ouders Frits en Marie

Het begint, zoals families beginnen, bij de ouders. Frits Klein werd geboren in Bandung in 1898 en kwam op vijfjarige leeftijd naar Nederland. Na een opleiding aan de Koninklijke Academie in Den Haag vertrok hij naar Parijs, waar hij in de jaren twintig Marie Raymond leerde kennen. Zijn leven lang pendelt hij tussen Wassenaar en Parijs – schildert zijn eigen droomwereld. Paarden in het circus. Stranden in het licht. Ik bespeur een schim van Chagall in zijn doeken, een waas van de late Turner: de werkelijkheid als herinnering aan zichzelf, altijd al half op weg naar ergens anders. Bijzonder fraai is het ensemble van strandgezichten: het is als een fata morgana waarin badgasten zweven, talrijk en toch elk verzonken in zijn eigen wereld.

Marie Raymond hangt ernaast. Haar abstracties uit de jaren vijftig ademen een ander soort stilte. Kleurvlakken die zich hebben losgemaakt van het kader, vormen die op eigen benen zijn gaan staan zoals kinderen dat uiteindelijk doen. Haar intuïtieve schilderijen sluiten aan bij het tachisme, de Europese tegenhanger van het abstract expressionisme. In de reeks Mur Devenir Structures onderzoekt ze de effecten van kleur en vorm op een manier die tegelijk cerebraal en zintuiglijk aanvoelt. In die jaren organiseert zij in Parijs haar wekelijkse salons, schrijft columns en treedt op als ambassadeur van een wereld die haar zoon straks zal bestormen. Maar dat weet ze nog niet. Of toch wel?

Achteruit lezen

Kunst bekijken van mensen die de ouders zijn van iemand wiens werk je al kent, heeft iets ontroerends. Je leest als het ware achteruit. Je zoekt in de penseelvoering naar sporen van wat komen gaat, naar de erfenis die nog niet als erfenis herkend kon worden. In de schilderijen van Marie Raymond zie ik de neiging tot het absolute – het kleurvlak dat zichzelf wil zijn en niets anders – en ik vraag me af of zoon Yves dat ooit heeft gezegd tegen haar, of zij het heeft gezegd tegen hem, of dat het tussen hen zweefde als iets wat niet benoemd hoefde te worden omdat het in het bloed zat.

Want er was ook wellicht ook wrijving. Frits Klein bleef figuratief schilderen op een moment dat de kunstwereld zich massaal richtte op abstractie. Hij was geen man van manifesten, kleurpatenten en provocaties. Zijn zoon was dat alles wél – en de afstand tussen hen was niet alleen generationeel maar bijna filosofisch: de vader die geloofde in wat het oog ziet, de zoon die geloofde in wat aan het oog voorbijgaat. Toen Yves in een interview zijn vader adviseerde zijn werk te vereenvoudigen, klonk daarin iets door wat families kennen: de liefde die zichzelf uitdrukt als kritiek, en de kritiek die eigenlijk een verlangen is om begrepen te worden. Marie moedigde aan. Frits zweeg of fronste. En Yves schilderde verder – weg van het circus, weg van de stranden, weg van alles wat zijn vader hem had meegegeven, op zoek naar de kleur die aan gene zijde van de kleur lag.

Zoon Yves

Kindertekeningen in de tentoonstelling laten zien hoe de jonge Yves de kunst van zijn ouders natekende – de mystieke paarden van zijn vader, de abstracte vormen van zijn moeder. Maar zijn werkelijke inspiratie voor het blauw vond hij later, op het strand van Nice. In het Chelsea Hotel Manifesto beschreef hij hoe de vogels die over zijn wolkenloze blauwe hemel vlogen hem stoorden: ze prikten gaten in dat oneindig mooie werk. Wat volgde was een obsessieve zoektocht om dat hemelsblauw zo zuiver mogelijk vast te leggen.

Het International Klein Blue – dat ultramarijn dat hij in 1960 liet patenteren, een kleur die hij beschouwde als de belichaming van de immaterialiteit zelf – is iets wat je met je ogen alleen niet kunt verwerken. Het trekt aan me. Het zuigt licht naar binnen op een manier die bijna fysiek is. Je staat ervoor en je blik vindt geen houvast, geen textuur om op te rusten, geen verhaal om te volgen – alleen diepte, alleen ruimte en het gevoel dat de verf iets bewaart wat groter is dan zichzelf.

Zaaloverzicht Yves Klein, Blue rain (S36), original work 1957, posthumous edition 2018 en Pure Blue Pigment, original work 1957, posthumous edition 2026 en Rotraut, Untitled, ca 1974 in de tentoonstelling Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie, foto Aad Hoogendoorn

Een blauw tapijt van stilte

Ik blijf lang staan in de zaal die Klein het meest volledig lijkt te bevatten. Op de vloer ligt dat onmogelijke ultramarijn, een rechthoekig sacraal blauw tapijt. Het is bijzonder om te zien welk effect het blauw op bezoekers heeft: veel mensen nemen er de tijd voor, gaan even zitten, nemen de kleur in zich op alsof ze iets absorberen wat ze niet kunnen benoemen.

Dunne blauwe staven dalen neer vanuit het plafond, verticaal, roerloos, als een bevroren regen of de snaren van een instrument dat nooit wordt bespeeld. En op de achterwand, klein en vurig tussen de twee verblinde ramen en een rood werk, bijna provocerend in zijn warmte, dat het blauw rondom kouder en dieper maakt.

Dit is geen kunstwerk dat je bekijkt. Dit is een ruimte die je verzwelgt. Ik keer er in de loop van het bezoek twee keer naar terug. Voor de kleur en de stilte.

Fascinatie voor het lichaam

Elders in de tentoonstelling hangt Résonance (MG 16) uit de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam – een werk van gegraveerd bladgoud op een houten paneel, tentoongesteld in het donker op de bovenverdieping, waar het zachtjes glinstert in het duister en uitnodigt tot bijna mystieke beschouwing. Daarnaast zijn er de bekende sponsreliëfs, de antropometrieën – die indrukwekkende afdrukken van vrouwenlichamen die Klein gebruikte als levende penselen.

Als voormalig judoka – hij behaalde als eerste Fransman de vierde dan – behield Klein uit zijn sportcarrière een fascinatie voor het lichaam, voor beweging en voor filosofische contemplatie. Die fascinatie keert terug in deze antropometrieën: het lichaam als instrument, niet als onderwerp. Hun met verf bedekte huid rollend en glijdend over het doek terwijl hij toekeek, dirigeerde, de choreografie bepaalde.

Jonge weduwe Rotraut

Rotraut Uecker, geboren in 1938, ontmoette Yves Klein in 1958. Ze werkte als au pair voor de Franse kunstenaar Arman en leerde zo Klein kennen, die haar creatieve talent herkende en haar aanmoedigde het verder te ontwikkelen. Rotraut was twintig, hij dertig. Ze werkten intensief samen. In 1962 trouwden ze – en datzelfde jaar stierf hij, aan een hartaanval, in Parijs. Hij 34. Zij 24.

In de zaal waar haar werk hangt, voelt de sfeer anders. Haar Galaxies – lichtpuntjes ontstaan door lijm te druppelen op een houten plaat, te bedekken met zwarte inkt, te schuren tot er sterren verschijnen – lijken op zoek naar een antwoord. Op welke vraag? Op het blauw van Yves misschien. Of op het verlies. Op de vraag wat je doet met een oeuvre dat groter is dan het leven dat het maakte.

En ik denk: Rotraut heeft dit verdriet van binnenuit gekend, niet als toeschouwer maar als getuige, jonge weduwe en moeder. En ze heeft er iets mee gedaan wat geen archief en geen stichting kon doen. Ze heeft ze omgezet in sterrenstelsels.

Rotraut is bijna negentig. Ze schildert nog en richtte met Daniel Moquay de Yves Klein Stichting op. Ze heeft zijn nalatenschap beheerd, bewaard en doorgegeven – en tegelijkertijd haar eigen werk gemaakt, haar eigen Vol de sensibilité-reeks, haar sculpturen, haar tekeningen. Er is iets waarachtigs en taais in dat leven: de weigering om op te houden, de weigering om alleen bewaakster te zijn van iemand anders naam.

Voor haar werk sta ik het langst. Niet omdat dit het sterkste is maar omdat het de tijd heeft meegedragen op een manier die de andere werken in deze tentoonstelling niet konden. Frits Klein is dood. Marie Raymond is dood. Yves Klein is dood. Haar broer Günther Uecker, de Zero-kunstenaar, overleed vorig jaar. Maar Rotraut is er nog, en haar schilderijen weten dat. Ze zijn gemaakt door iemand die er nog is, die terugkijkt en tegelijkertijd nog vooruitkijkt. Die de kosmos – dat gedeelde thema van deze hele kunstenaarsfamilie, die fascinatie voor het oneindige, het immense, het licht voorbij het licht – nog altijd als een levende vraag behandelt en niet als een geërfd antwoord.

Rotraut, Galaxy (Melkweg), 1987 Acryl op doek 120 x 220 cm © Rotraut c/o Pictoright Amsterdam, 2026

Buiten is Schiedam gewoon Schiedam. De Hoogstraat, het verkeer, de zon die laag staat en scherpe schaduwen trekt over de stoeptegels. Ik betrap me erop dat ik langzamer loop dan toen ik naar binnen ging. Men zou haast denken dat ik flaneerde.

Yves Klein en zijn kunstenaarsfamilie Frits, Marie en Rotraut is te zien in Stedelijk Museum Schiedam tot 25 oktober 2026.


Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Ontdek meer van Kunstflaneur.be

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder