U staat op het punt op Italo Calvino’s nieuwe roman te gaan lezen, Als op een winternacht een reiziger. Dat is de openingszin. Niet een openingszin – dé openingszin, beroemd, geciteerd tot vervelens toe in letterkundekringen, en toch elke keer opnieuw een kleine klap in het gezicht. Want op het moment dat u die zin leest, bent u er al middenin. Het boek is al begonnen. Het punt waarop u stond, is voorbij.
Calvino speelt een ouderwets gemeen spelletje. Hij kondigt aan wat hij doet terwijl hij het doet, en lacht ondertussen achter zijn hand. De lezer – u, ik, iedereen die ooit die eerste pagina opensloeg – denkt nog te staan op de drempel, maar staat al in de gang, met de deur achter zich dicht. Het nulpunt bestaat niet. Het heeft nooit bestaan. De aankondiging was het begin.
Nu is dat in de literatuur een gevierd procedé, beschreven en herkauwd in meer scripties dan hier nuttig is om op te sommen. Maar wat mij bezighoudt, is dit: het museum doet precies hetzelfde. En het liegt er bovenop nog harder over ook.
Het theater van het nulpunt
Kijk hoe een hedendaagse tentoonstellingsruimte zichzelf inricht. De witte wanden, gewit tot in het evangelische. De lichtarmaturen die geen schaduw gunnen aan enige ambiguïteit. De afstand achter het koord – die precieze, gecalibreerde meter die u op gepaste afstand houdt van het werk, zodat u het kunt aanschouwen. De zaaltekst, netjes links van de ingang, die u instrueert wat u ziet vóórdat u het ziet. Het museum bouwt een theater van het nulpunt. Het suggereert: hier begint u. Hier staat u op het punt.
En dan loopt u naar binnen.
Maar u loopt nooit als een schone lei naar binnen. U bent niet blanco, heeft al een oordeel: over de kunstenaar, het genre, de prijs die dit werk bij Sotheby’s haalde of juist niet. Wellicht heeft u de bespreking gelezen, Instagram gezien, de mening van uw buurvrouw gehoord.
U heeft een lichaam met een stemming van die ochtend, een maag die al dan niet gevuld is, een oude grief met minimalistisch beeldhouwen of juist een sentimentele band met waterverf. Als bezoeker staat nooit op het punt, u staat altijd al ergens anders.
Maurice Merleau-Ponty, de Franse filosoof die aantoonde dat wij de wereld niet waarnemen als een brein in een laboratorium, maar altijd al als een lichaam dat er middenin zit, zou het charmant hebben gevonden dat wij telkens opnieuw in die val trappen. De val van het nulpunt. De illusie dat er een moment bestaat van zuivere, onbeschreven aandacht, vóór de interpretatie, vóór het oordeel, vóór de verveling of de ontroering.
De afspraak die wij nodig hebben
Wij trappen erin omdat wij er graag in trappen. Dat is de sleutel. De witte muur is niet bedrog, of niet alleen bedrog. Het is een afspraak. Een gemeenschappelijke fictie die wij nodig hebben om het werk een kans te geven. Net zoals Calvino’s openingszin geen bedrog is, maar een uitnodiging: doe alsof dit het begin is. Laten wij even vergeten wat wij weten. Laten wij doen alsof wij staan op het punt.
En dan bijt het werk.
De sterkste kunstwerken zijn de werken die die fictie aanvaarden en er onmiddellijk mee afrekenen. Die u laten denken dat u kijkt, en u dan laten beseffen dat u al lang bent aangekeken. Velázquez wist dat. Magritte wist het. Cindy Sherman weet het. Zij bouwen allen het punt waarop u staat, en ontmantelen het in dezelfde beweging.
U staat op het punt naar kunst te gaan kijken.
U bent al begonnen.
Terwijl u deze column leest, ben ik opnieuw in Berlijn. Tijd om de aandelenbeurzen even achter mij te laten en de voorkeur te geven aan kunstbeurzen. Affordable Art Berlin, Art Düsseldorf, Brancusi en Shilpa Gupta staan op het programma. De rest, … we zien het wel.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
