Een column over angst, prijs en de tragische kunst van het niet-kopen
U bent er geweest. Dat weet ik zeker. U liep door de gangen van een kunstbeurs – misschien zelfs recent Art Brussels, misschien een kleinere editie in een stadshal waar het naar verse verf en verse koffie rook – en ergens, tussen twee witte wanden en een bewaker die u minder geïnteresseerd aankeek dan het werk naast hem, zag u iets. Een schilderij. Een sculptuur. Een foto die u niet meer losliet ook al liep u al drie stands verder. U voelde iets wat de Fransen un coup de foudre noemen en de Vlamingen nooit zo mooi verwoord hebben. U bleef staan, keek en las de naam op het kaartje.
En toen zag u de prijs. Wat er vervolgens in uw hoofd gebeurde, was geen esthetische overweging meer. Het was boekhouden.
Mag het iets goedkoper?
Het scenario van de te hoge prijs kent u. Tweeduizend euro. Of vijfduizend. Of – stel je voor – tienduizend. U voelde hoe de betovering langzaam uit uw vingertoppen wegsijpelde, hoe het werk voor uw ogen transformeerde van iets wat u moest hebben naar iets wat anderen kopen. Anderen met meer geld. Meer zekerheid. Meer gevoel voor de waarde van dingen. U liep door, met de licht beschaamde pas van iemand die net een menukaart heeft dichtgeklapt omdat de dagschotel duurder was dan verwacht.
Thuis vertelde u aan uw partner dat het werk interessant was maar misschien toch niet helemaal iets voor ons huis. Uw partner knikte. U beiden weet dat dit niet klopt. Wat u niet zei: ik was bang dat ik er spijt van zou krijgen. Ik was bang dat ik het verkeerd zou beoordelen. Ik was bang dat ik zou betalen voor iets wat over vijf jaar niemand meer kent.
Dat is geen geldsysteem. Dat is angst die een prijskaartje gebruikt als smoesje.
Mag het iets duurder?
Maar nu het scenario van de te lage prijs – en dit is het geval dat mensen minder graag toegeven, omdat het hun eigen absurditeit zo helder blootlegt.
Driehonderd euro. Tweehonderdvijftig. Misschien zelfs minder, voor een prent, een klein werkje in olieverf, een werk op papier van iemand waarvan de galerie u vol overtuiging vertelt dat hij of zij echt iets is. En u… aarzelt. Niet omdat het te duur is. Omdat het te goedkoop is.
Want wat zegt het over een kunstenaar als zijn werk maar driehonderd euro kost? Wat zegt het over u als u bereid bent zoiets te kopen? Is dit kunst of is dit decoratie? Is dit een investering of is dit een vergissing die straks aan uw muur hangt als bewijs van uw naïviteit?
U loopt door en koopt niets. U eet wel voor twintig euro een bord pasta in het beurscafé zonder er één seconde bij na te denken.
Prijsangst
Laten we eerlijk zijn over wat hier werkelijk aan de hand is. U bent niet bang voor de prijs. U bent bang voor uw eigen oordeel. De prijs – te hoog of te laag – is slechts de oppervlakte waarop die angst zich aftekent. Dieper zit de overtuiging dat kunst beoordelen een specialiteit is die u niet bezit, dat er ergens een klasse van mensen bestaat die weten wat goed is, en dat u niet tot die klasse behoort. Dat galeries, musea, kunstcritici en curatoren met moeilijke brillen de toegangspoort bewaken tot een kennis die u nooit volledig zult verwerven, en dat uw aankoop – wat u ook kiest – vroeg of laat zal worden blootgesteld als de keuze van een buitenstaander die deed alsof.
Dit is een hardnekkig en volkomen onterecht complex. Want laten we het eens omdraaien: wanneer u een boek koopt, vraagt u zich niet af of u de juiste lezer bent. Wanneer u een fles wijn kiest, belt u geen sommelier om te bevestigen dat uw smaak geldig is. Wanneer u een jas aantrekt die u mooi vindt, heeft u geen moderedacteur nodig die verklaart dat u goed gekleed bent.
Maar voor kunst – voor dat ene werk dat u bij de keel greep terwijl u langs de wand liep – opeens is er een jury nodig. Opeens moet de wereld het eens zijn. Opeens telt uw eigen oog niet mee.
Ik zal u iets vertellen over kunstbeurzen die mensen vergeten zodra ze er doorheen zijn gewandeld. Op die beurzen hangen werken van kunstenaars die over tien jaar in musea hangen. U weet niet wie het zijn – en dat is precies het punt. De mensen die dat werk nu kopen, weten het ook niet met zekerheid. Ze kopen het omdat ze het mooi vinden. Omdat het iets doet. Omdat ze de morgen na de beurs nog aan dat werk denken terwijl ze koffiezetten.

Beter rendement dan pasta
Dat is de enige kwalificatie die ooit heeft geldaan voor het kopen van kunst. Niet de prijs of de naam van de galerie. Niet de hoeveelheid nullen op de factuur. Het feit dat u er nog aan denkt. En als het werk over vijf jaar niets meer waard is op de markt? Dan heeft u vijf jaar lang iets moois aan uw muur gehad. Dat is een slechter rendement dan uw pensioensparen, maar een aanmerkelijk beter rendement dan de pasta die u in het beurscafé at.
Dus. De volgende keer dat u op een beurs staat en u iets voelt – dat lichte schokje, die stilte in uw hoofd die betekent dat uw aandacht ergens bij is blijven haken – wil ik dat u één ding doet. Niet nadenken over de prijs. Niet zoeken naar bevestiging. Of vragen of dit een goede investering is of de naam googelen of wachten tot er iemand naast u staat die ook kijkt, alsof dat uw oordeel zou valideren.
Gewoon geloven dat wat u ziet, iets is. Dat uw oog u niet bedriegt. Dat u – ja, u, de persoon die geen curator is en geen kunsthistoricus en geen verzamelaar met een kluis in Genève – volkomen bevoegd bent om te beslissen wat u mooi vindt.
De kunst wacht geduldig. Ze heeft de tijd. Maar de beurs sluit zondag om zes uur.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
