De dag was vroeg begonnen voor kunstenaar Dolf Verlinden. Vier en een half uur rijden, vanuit Groningen, door sneeuw en traag verkeer. Geen heroïsche tocht, maar wel een die sporen nalaat. De werken zijn veilig aangekomen, maar de reis echoot nog na in het lichaam. Misschien is dat onvermijdelijk: wie met schilderijen onderweg is, vervoert niet alleen objecten, maar ook tijd, twijfel, verwachting.
Dolf Verlinden staat hier niet om iets te bewijzen. Antwerps Blauw ontvouwt zich als een onderzoek, een reeks sporen die samen een landschap vormen. Wat zichtbaar is, is slechts een deel van het verhaal. Wat ontbreekt, weegt minstens even zwaar.
Je hebt ooit gezegd dat je een lange weg hebt afgelegd naar non-objectieve schilderkunst. Hoe zou je die weg vandaag samenvatten?
Als een langzaam proces van afpellen. Ik ben klassiek opgeleid, heel ambachtelijk. Dat betekent dat je begint met kijken naar de wereld: modellen, landschappen, stillevens. Dat was noodzakelijk, maar op een bepaald moment voelde ik dat die zichtbare werkelijkheid mij begon te beperken. Ik wilde niet blijven verwijzen. Ik wilde dat een schilderij niet ging over iets anders, maar over zichzelf. Over verf, over kleur, over maat en verhouding. Die stap maak je niet ineens. Dat is geen revolutie, maar erosie. En tegelijk is het ook een vorm van trouw: trouw aan het medium. Niet omdat de schilderkunst heilig is, maar omdat ze, wanneer je haar tot op het bot terugbrengt, een streng en eerlijk instrument blijft. Zeker vandaag, nu beelden overal zijn en niets nog schaars lijkt.
Was er een moment waarop je bewust afstand nam van die figuratieve traditie?
Niet één moment, eerder een reeks kleine verschuivingen. Ik wilde geen leerling blijven van mijn docenten, hoe goed ze ook waren. Het noordelijk realisme waarin ik was opgeleid, voelde steeds meer als een kader dat ik moest verlaten. Reizen, tentoonstellingen zien, gesprekken voeren droegen daartoe bij. Op een gegeven moment besef je: wat ik zoek, ligt niet in wat ik zie, maar in hoe iets zich toont. Dat was het begin van abstractie, en later van volledige autonomie van het beeld. Ik denk ook dat je op een bepaalde leeftijd minder behoefte krijgt aan bewijsdrang. Je hoeft niet meer te laten zien dat je iets kán. Je wilt vooral weten waarom je het nog doet, en wat er overblijft als je alle versiering weghaalt.


Die autonomie staat centraal in Antwerps Blauw. Hoe ontstond dat project concreet?
Met een vraag die eigenlijk onmogelijk te beantwoorden was: “Kun je iets maken in Antwerps blauw?” Maar niemand kon me vertellen wat dat precies is. Dat vond ik fascinerend. Een kleur die historisch beladen is, maar nergens vastligt. Ik ben gaan lezen, zoeken, vergelijken. Telkens stuitte ik op tegenstrijdige bronnen. Wat voor de ene schrijver blauw was, neigde voor de andere naar grijs of groen. Die instabiliteit werd het uitgangspunt. Niet het vinden van dé kleur, maar het onderzoeken van de conditie van die kleur.
En blauw is nooit onschuldig. Misschien lijkt het zo – rustgevend, esthetisch, contemplatief – maar juist in die schijnbare neutraliteit schuilt zijn kracht. Als je je beperkt tot één kleur, wordt elk verschil betekenisvol. Dan gaat het niet meer over effect, maar over nuance. Monochromie is geen gemakzuchtige reductie, maar een vorm van weerstand: je weigert de luidruchtigheid van het spektakel en kiest voor precisie, maat en verhouding.
Die zoektocht bracht je ook naar materiaalonderzoek, niet alleen naar kleurtheorie.
Ja, want kleur bestaat nooit los van materie. Antwerps blauw is niet alleen een visuele ervaring, het is ook een fysiek gegeven. Bariumsulfaat bijvoorbeeld dat historisch gebruikt werd in keramiek, werd cruciaal. Ik liet het verwerken tot olieverf en ontdekte hoe dominant het materiaal zich gedroeg. De verf was te vet, te rijk. Ik moest olie onttrekken, wachten, ingrijpen. Op een bepaald moment werd het bijna kneedbaar. Dat was een kantelpunt: ik besefte dat de stof zelf onderwerp werd. En dat is voor mij ook de kern: het gaat niet om een mooie kleur, maar om het besef dat je met iets werkt dat een geschiedenis heeft, een gewicht, een gedrag. Kleur is niet alleen licht, kleur is ook weerstand, korrel, binding, droogtijd. Je kunt het niet los denken van de handeling.
En zo ontstond ook het sculpturale werk, de kubus.
Inderdaad. Toen ik de kristalstructuur van bariumsulfaat bestudeerde en zag dat die orthorombisch is, opgebouwd vanuit een kubus, viel alles samen. De overgang van vlak naar volume, van schilderkunst naar object. Het voelde bijna logisch. Malevich is dan nooit ver weg: het vierkant als oorsprong van non-objectieve kunst. De kubus is daar een driedimensionale echo van. Het is geen citaat, maar een voortzetting van een gedachte. En misschien is dat ook wat deze tentoonstelling doet: ze laat zien hoe een idee zich verplaatst, hoe het van materiaal naar vorm schuift, en hoe één stap – een klein technisch detail, een stof, een mengverhouding – ineens een hele beeldtaal opent.
Je spreekt vaak over samenhang. Is deze tentoonstelling dan één werk?
In zekere zin wel. Ik denk steeds minder in losse schilderijen. Het gaat me om relaties: tussen werken, tussen vormen, tussen leegtes. De ruimte tussen twee werken is geen neutrale zone, maar een actieve speler. Die ruimte bepaalt hoe je kijkt. Je zou deze tentoonstelling kunnen zien als een wandeling, maar niet lineair. Het is een netwerk van associaties. En dat netwerk heeft ook met Antwerpen te maken. Dat dit onderzoek net hier landt, is geen toeval. Antwerpen is niet alleen een historische bron, maar ook een mentale ruimte: een stad van lagen, breuken en overdrachten. Van vertrekken en terugkeren. Het Antwerps blauw dat hier wordt onderzocht, is niet het blauw van gevels of vlaggen, maar het blauw van migratie, van kennis die verschuift, van ambacht dat onderweg verandert. Dat een kunstenaar uit Groningen deze kleur hier opnieuw binnenbrengt, sluit die cirkel op een onverwachte manier.


Je introduceert hier ook taal in je werk. Woorden die niet verklaren, maar confronteren.
Taal is een vreemd materiaal. Ik ben lang terughoudend geweest, omdat ik bang was voor illustratie. Maar door kunstenaars als John Baldessari ben ik anders gaan kijken. Beeld en taal kunnen naast elkaar bestaan zonder elkaar te dienen. In Antwerps Blauw creëert de tekst afstand. Je ervaart eerst de kleur, en dan lees je de woorden. Die spanning interesseert me: het verschil tussen ervaren en benoemen. En het vraagt ook iets van de kijker. Niet kennis, maar bereidheid. Bereidheid om te blijven staan, om niet meteen te begrijpen, om het ongemak van het niet-weten toe te laten. Dat maakt het kijken tot een handeling, geen consumptie. Niet alles hoeft onmiddellijk toegankelijk te zijn. Niet alles moet zich verklaren. Soms volstaat het dat iets aanwezig is, en dat je zelf je tempo terugvindt.
De titelzin van dit gesprek klinkt bijna paradoxaal: “ik schilder wat ik niet wil laten zien.”
Dat is het ook, en precies daarom klopt hij. Als je abstraheert, laat je weg wat niet essentieel is. Wat je niet toont, activeert de verbeelding van de kijker. Ik vind het interessanter om rondom iets te schilderen dan het object zelf te tonen. Soms doe ik dat letterlijk, door delen van de drager weg te nemen. Het ontbreken wordt betekenisvol. Het werk vraagt dan om betrokkenheid. Je zou kunnen zeggen: het beeld is hier niet een antwoord, maar een vraag die in verf is gesteld. En door iets te laten ontbreken, laat je ruimte over voor de ander.
Dat vraagt veel van de kijker.
Ja, maar dat is geen probleem. Kunst mag iets vragen. Net zoals muziek. Je kunt een concert ondergaan of echt luisteren. Die actieve houding vind ik belangrijk. Ik maak geen werk om te consumeren, maar om bij stil te staan. Misschien is dat ook de ethiek van deze tentoonstelling: geen onmiddellijke beloning, geen snelle conclusie. Wie niet vertraagt, ziet niets. Of beter: wie niet vertraagt, ziet alleen maar “blauw” en mist alles wat binnen dat blauw beweegt.
Welke muziek hoort volgens jou bij dit werk?
Morton Feldman. Zijn idee van crippled symmetry (een symmetrie die net niet klopt) raakt aan wat ik doe. Ik heb een hele reeks schilderijen gemaakt rond dat idee. Het zijn werken die bijna symmetrisch zijn, maar net genoeg afwijken om spanning te creëren. Dat kleine verschil is essentieel. Het is precies die micro-ontregeling die je wakker houdt. Zoals bij Feldman: je denkt dat je het patroon herkent, en net wanneer je je erin nestelt, verschuift er iets. Dan luister je weer.
De samenwerking met de galerie verloopt hier opvallend organisch. Hoe belangrijk is dat?
Heel belangrijk. Te vaak wordt een tentoonstelling ingericht vanuit routine of commercie. Hier wordt geluisterd naar het werk. Er wordt geschoven, gekeken, gevoeld. De werken dicteren mee hoe ze willen hangen. Dat vraagt vertrouwen, maar het levert ook een eerlijker resultaat op. En die eerlijkheid zit niet alleen in wat er hangt, maar ook in hoe het hangt: de afstand, de ademruimte, de manier waarop de zaal niet probeert te imponeren maar te dragen.
Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie die meer is dan een catalogus.
Dat boek is een verlengde van het werk. Het toont het proces, de chronologie, de samenhang. Niet als uitleg, maar als context. Sommige projecten hebben tijd nodig. Papier kan die tijd vasthouden op een manier die een tentoonstelling alleen niet kan. Wat je in de ruimte ervaart, kun je in het boek herlezen, herbekijken, terugleggen. Het is een tweede tempo naast het tempo van het kijken.
Je werk staat duidelijk in dialoog met de kunstgeschiedenis. Voelt dat als ballast?
Nee. Ik zie het als een gesprek. Ik sta in een traditie, en dat erken ik. Maar ik probeer vragen te stellen vanuit mijn eigen tijd, met mijn eigen materiaal. Als ik één kunstenaar mocht ontmoeten, dan was het Mondriaan. Niet om hem te overtuigen, maar om te vragen: wat vind je hiervan? En dan luisteren. En intussen besef ik ook dat er een jonge generatie komt die met andere media werkt, met andere snelheden. Ik hoef daar niet krampachtig op aan te sluiten. Op 65-jarige leeftijd kijk ik niet terug met nostalgie, maar met helderheid. Wat hier zichtbaar wordt, is continuïteit: een oeuvre dat zich verdiept door herhaling, door nuance, door vertraging. In een tijd waarin kunstenaars vaak worden afgerekend op zichtbaarheid en snelheid, kies ik voor een ander tempo. Niet tegen de tijd in, maar er dwars doorheen.

Praktische info tentoonstelling: Dolf Verlinden — Antwerps Blauw
Locatie: National 55 Antwerp, Prekersstraat 55, 2000 Antwerpen
Periode: 7 januari – 21 januari 2026
Openingsuren: Donderdag t.e.m. zondag van 14u tot 19u / Maandag, dinsdag en woensdag op afspraak
Meer info: https://www.national55.com/
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.
