Ik kreeg het boekje cadeau van vrienden, als kerstgeschenk. Ze kennen nu eenmaal mijn gevoel voor ironie dat neigt naar sarcasme. Het boekje is klein genoeg om achteloos in een jaszak te verdwijnen, groot genoeg om zich moreel superieur te wanen aan alles wat dikker is dan een tentoonstellingscatalogus. Maak kennis met How to Not Fuck Up Your Art-world Happiness van Christoph Noe.
Een kerstcadeau, dus met liefde gegeven, maar ook met een subtiele waarschuwing: pas op, dit is geen onschuldig geschenk. Dit is een handleiding. Een survival kit. Een spiegel die niet alleen toont wat je bent, maar vooral wat je liever niet toegeeft dat je al jaren meespeelt.
Noe schrijft zoals de kunstwereld zichzelf graag hoort: scherp, laconiek, quasi-nonchalant, maar met een dodelijke precisie. Elk genummerd regeltje voelt als een voetnoot bij een gesprek dat iedereen kent, maar waar niemand graag verantwoordelijkheid voor opneemt. Het boekje leest als een reeks fluisteringen die normaal enkel aan de bar van een vernissage circuleren, ergens tussen de derde cava en het moment waarop men begint te praten over “echte kwaliteit”.
Fuck waiting lists
Regel vier is voor mij meteen een mokerslag: fuck waiting lists. Niet omdat de regel nieuw voor mij zou zijn, maar net omdat deze een waarheid blootlegt die we liever romantiseren. De wachtlijst is geen administratief ongemak, het is een opvoedingsinstrument. Een moreel parcours. Je mag pas naar binnen als je eerst bewezen hebt dat je kan wachten.
Wie verzamelt, weet dit. Wie ontkent, liegt of is nog maar net begonnen. Je koopt niet alleen een werk, je koopt een relatie. En soms koop je eerst drie mindere werken om daarna misschien, ooit, op een lijst te belanden voor dat ene werk dat er écht toe doet. Alsof kunst een loyaliteitsprogramma heeft. Tien stempels en de elfde koffie is gratis, maar dan wel eentje waar je drie jaar op moet wachten.
Noe prikt de ballon lek zonder hem echt te laten knallen. Hij wijst, glimlacht en laat de lezer zelf struikelen. De ironie zit niet in de regel, maar in de herkenning. Want iedereen weet dat de wachtlijst zelden gaat over vraag en aanbod. Het gaat over gehoorzaamheid, over het vermogen om te wachten zonder te morren, over het correct citeren van de juiste kunstenaarsnamen op het juiste moment. De wachtlijst is geen lijst, het is een test.
En toch blijven we doen alsof dit allemaal deel uitmaakt van een nobel ecosysteem. Alsof wachten een deugd is en niet gewoon een machtsverhouding in nette (en nauwe) schoenen. Noe zegt niet dat je moet weglopen. Hij zegt alleen: noem het beestje bij zijn naam. En dat maakt het ongemakkelijk. Want zodra je het erkent, kun je niet meer doen alsof je onschuldig bent.
De draagtas als paspoort
Een andere regel (59 voor wie het wil weten) is even achteloos genoteerd maar minstens zo raak: onderschat nooit de kracht van de gepersonaliseerde draagtas. De tote bag als statussymbool, als subtiel signaal dat je erbij hoort, of er toch minstens heel dicht tegenaan schuurt. Geen logo nodig, geen schreeuwerige branding. Eén discreet lettertype, liefst serif, en iedereen weet genoeg.
De draagtas is de stille protagonist van de kunstwereld. Ze hangt aan polsen, staat tegen muren, ligt achteloos op stoelen. Ze verraadt waar je was, met wie je sprak, en – belangrijker – wie je níét bent. Ze is goedkoper dan een kunstwerk, maar soms effectiever. Een sociale snelweg in canvas.
Noe beschrijft dit zonder spot, bijna liefdevol. Alsof hij weet dat we allemaal al eens die tas hebben vastgenomen met meer trots dan we zouden toegeven. De tas zegt: ik was daar vóór jij er was. Of: ik ben er vaker dan jij denkt. Of nog beter: ik hoef hier eigenlijk niet eens te zijn, maar ik ben toch gekomen.
Het ironische is dat de kunstwereld, die zich zo graag afzet tegen oppervlakkigheid, een feilloos systeem heeft ontwikkeld om precies die oppervlakkige signalen te lezen. Wie kijkt naar kunst, kijkt ook naar tassen, schoenen, badges, handen. De tote bag is met andere woorden geen accessoire, maar een visueel cv.
Noe legt het bloot zonder het te veroordelen. Hij weet dat ironie pas werkt als je jezelf mee op de brandstapel legt. Dit boekje is geen pamflet, het is een mea culpa in bullet points.
Geluk, maar dan met bijsluiter
Wat dit boek zo ironisch maakt, is dat het woord happiness in de titel blijft hangen. Alsof het hier echt om geluk gaat, en niet om status, angst, bevestiging of het vermijden van schaamte. Maar misschien is dat precies Noes punt. Art-world happiness bestaat. Alleen ziet het er zelden uit zoals we het ons voorstellen.
Geluk in de kunstwereld is vaak het uitblijven van ongemak. Niet opvallen, niet uit de toon vallen, weten wanneer je moet knikken en wanneer je beter zwijgt. Het is het geluk van herkenning: gezien worden door de juiste mensen, opgemerkt zonder dat je er expliciet om vraagt. Noe beschrijft geen utopie, hij beschrijft een praktijk.
Het boekje leest daardoor als een anti-zelfhulpboek. Geen beloftes, geen bevrijding, geen grote ommekeer. Alleen observaties, scherp genoeg om te snijden, licht genoeg om weg te lachen. En dat is misschien de grootste valkuil: je kunt dit boek lezen, instemmend knikken, lachen om de regels en … daarna gewoon doorgaan zoals altijd.
Maar ergens, tussen regel vier en de draagtas, sluipt er iets binnen. Een licht ongemak. Een besef dat je meespeelt in een spel dat zichzelf voortdurend ontkent. Dat geluk in de kunstwereld vaak wordt uitgesteld, geconditioneerd, verpakt als belofte.
How to Not Fuck Up Your Art-world Happiness is geen handleiding om gelukkig te worden. Het is een inventaris van manieren waarop we doen alsof we dat al zijn. En misschien is dat wel het mooiste kerstcadeau: een klein boekje dat je niet redt, maar je wel net genoeg laat struikelen om weer even scherp te zien.
Ontdek meer van Kunstflaneur.be
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Dank je. 😉